Vertalen

Posts tonen met het label lichtsnelheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label lichtsnelheid. Alle posts tonen

donderdag 3 september 2020

Donkere materie, fotonen, straling en zwaartekracht - HOOFDSTUK 7 – Donkere materie – helix – kosmisch web – donkere energie - rustmassa – magnetisme – GEODE’s - Energie “E”

 

Donkere materie – helix – kosmisch web – donkere energie - rustmassa – magnetisme – GEODE’s - Energie “E”

 

De helix (helices)

In het kader van mijn theorie en specifiek aangaande het onderwerp van de donkere materie wil ik ook de helices een plaatsje geven en kort benoemen.

Wij kennen allemaal de schitterende voorstellingen hoe wij, de aarde; zon; ons melkwegstelsel met duizelingwekkende snelheid voortbewegen rond elkaar en door ons universum. Ook de grote structuren volgen hun snelle pad ten opzichte van elkaar en hierbij richting gegeven door de donkere energie.

De donkere materie lijkt zich onmiskenbaar traploos mee te bewegen op dit kosmische pad. Het is niet zo dat wij ineens op dit pad een zone met willekeurige meer of minder donkere materie passeren. De wetten van de onderlinge gravitatie blijven altijd constant en veranderen niet ineens. Dat wat wij donkere materie noemen is dus onlosmakelijk verbonden met de massa (objecten, gas, straling etc.) van de voortsnellende massa en verandert dus niet.    

 

Afstoting op kosmische schaal is nooit van toepassing

Waarom stoten objecten elkaar niet af op kosmische schaal terwijl kwantummechanisch wel afstoting voorkomt (bijvoorbeeld elektronen in een bepaalde schil om het atoom waar maar ruimte voor een bepaald aantal is)? Dit doet mij afvragen waarom er dan in planetenbanen of maanbanen om een planeet niet meerdere in dezelfde baan voorkomen? Of is dit niet waar?, want als ik bijvoorbeeld de ringen om Saturnus bekijk zijn er wel vele objecten in dezelfde baan. Ook hebben wij gezien dat door gravitatie losse objecten tot elkaar aangetrokken worden in de loop van de tijd tot grotere objecten. Zelfde baan-range objecten trekken elkaar dus aan op kosmisch niveau. Wat er na het samenvoegen gebeurt is afhankelijk van de plaatselijke gravitatie-omstandigheden. Dus of het object ingevangen wordt door het centrale object of in een andere baan belandt is afhankelijk van de omstandigheden. 

Wij zien in ieder geval geen afstoting. Ringen zoals bij Saturnus het geval kunnen dus ook gezien worden als manen in wording in verschillende baanhoogten rond de planeet. Maar ook omgekeerd kan het geval zijn na botsingen. Dan is de materie gefragmenteerd zoals in ringen als om Saturnus bijvoorbeeld. Of het weer manen worden hangt af van de gravitatie. Als de onderlinge gravitatie van de brokstukken (ijs en puin e.d.) groter is dan de gravitationele werking van de planeet vormt zich een nieuwe maan. Is die van de planeet groter dan worden de brokstukken ingevangen door de planeet. Aanvankelijke invang door de planeet en later voor de overgebleven materie klontering tot een maan is natuurlijk ook denkbaar. Ook gelijktijdige processen van invang door de planeet en maanvorming kunnen zich naar mijn mening voordoen.  

 

 Kosmisch web

Het vorige item over afstoting doet mijn belanden bij het kosmisch web. Hiervoor heb ik in mijn theorie hierover geschreven als de “sponsachtige structuur”.

Volgens nieuwe opvattingen en veronderstellingen zouden de gaten in de hiervoor genoemde kosmische structuur in hun “leegheid” verantwoordelijk kunnen zijn als de aanjager van de uitdijing van ons universum (donkere energie).

Vanuit mijn theorie kan dit niet, ik ga hier op zich niet verder op in en verwijs naar wat ik al geschreven heb. Anderzijds zou er in dit soort omstandigheden – als er sprake is van een (volmaakt) vacuüm een aanzuigende werking moeten plaatsvinden. (Je zou dan moeten verwachten dat ons universum implodeert maar wij zien juist het omgekeerde).  

Een vacuümwerking, omvattend aanwezig om ons universum, is overigens het enige mechanisme dat ik mij kan voorstellen bij het steeds sneller uiteendrijven van objecten of structuren in ons universum. De “gaten” in het kosmische web kunnen daar niet in passen, ik kan dit verder op geen enkele wijze beargumenteren dat het wel zo zou wezen dus ik laat dit voor wat het is. Een omgekeerde vacuüm werking veroorzaakt door de holten in het kosmische web lijkt mij natuurkundig gezien eenvoudigweg ook niet kunnen.

Vanuit mijn theorie redeneer ik wel naar het bestaan van anti-zwaartekracht of anti-gravitatie. Dit kan spelen in bepaalde omstandigheden van magnetisme. Ook hier verwijs ik kortheidshalve naar mijn eerdere publicaties. De anti-gravitatie doet zich evenwel onder zulke omstandigheden voor dat deze zich op kosmisch niveau nooit grootschalig kunnen voordoen. Afstoting van grote(re) objecten veroorzaakt door anti-gravitatie komt dus niet voor.

Blijft over datgene wat wij op kosmische schaal maar ook op kwantumniveau zien gebeuren en dat is aantrekking, gravitatie.

Onderwijl ik dit stukje aan het editen ben lees ik een bericht op internet waarin een verdere uitleg van dit verschijnsel van mogelijke bron van donkere energie verklaard wordt uit een soort tegenovergestelde zwarte gaten (GEODE’s). “Generic Objects of Dark Energy (GEODE’s) zouden bestaan, zwarte gaten die niet bestaan uit gewone materie, maar uit donkere energie.” Dit wijkt even zover af van mijn theorie dat hier even niet verder op in ga. Als dit waar is dan is natuurlijk een deel van mijn theorie onhaalbaar en zal ik op zoek moeten naar nieuwe mechanismen. Hetzelfde geldt natuurlijk voor andere onderdelen van mijn theorie. Ik heb echter nog geen echte heel simpele eenvoudig te bewoorden argumenten gezien die mij op dit moment tot andere inzichten zouden kunnen brengen. Met name op nieuwe inzichten die uitzonderingen maken op de algemene relativiteitstheorie (ART) of de speciale relativiteitstheorie (SRT) ben ik wat terughoudend. Helemaal als deze nieuwe inzichten mee gecalculeerd moeten worden in het oer-evenement waaruit ons universum is ontstaan. In het speciaal als er geen elementen zijn vermoed of aangewezen die gewezen zouden hebben op de noodzaak van nieuwe benaderingswijzen. In mijn theorieën blijft alles van kracht zonder uitzonderingen. Hierbij richt ik speciale aandacht op de situatie voor het oer-evenement (oerknal bijvoorbeeld) dat ons universum creëerde. Van dat laatste vind ik dat dit onderwerp te weinig belicht wordt in de theoretische fysica terwijl het wel voor de basis stond van onze werkelijkheid.    

 

Kan donkere materie omgezet worden in donkere energie?

Vanuit mijn visie gezien kan dit dus helemaal niet. Ten eerste zijn het twee verschillende fenomenen. Ten tweede: donkere materie is in mijn optiek ook daadwerkelijk materie. Donkere energie is een vacuümwerking veroorzaakt door een door mij in mijn theorieën reeds vaak omschreven fenomeen. Dat neemt niet weg dat ik denk dat materie voortkomt maar ook uiteindelijk weer opgaat in pure “E” (energie). Wij zijn niet anders dan een 4-dimensionale ontlading (van de ontelbare) uit de door mij omschreven 1 dimensionale “oertoestand”.    

 

Zegt het vacuüm (type 3) en materie iets over “E”?

Naar mijn stellige mening wel. Ik ga niet meer in detail in op mijn bewering omdat ik vind dat ik dat in mijn eerdere publicaties al uitvoerig gedaan heb.

Wat ik op dit punt wil verduidelijken en eventueel toevoegen voor zover ik dit al niet omschreven heb is dat donkere energie, hierboven genoemd, met zich meebrengt dat de 1 dimensionale “E” toestand consistent is in samenstelling en niet “uitgerekt” kan worden als een soort 3-dimensionaal membraan of -elastiek. Als dit namelijk wel zo zou zijn dan zou de vacuümwerking niet kunnen optreden. Ons universum met al zijn structuren zou dan imploderen. Wel vind ik het denkbaar dat spanningen, een soort “rimpelingen”, in de 1 dimensionale entiteit onder invloed van een voorkomend donkere energie-entiteit in een universum een (nieuwe) 4 dimensionale ontlading kan veroorzaken zoals ik heb omschreven. Maar dat komt dan zuiver voort uit de enorme kosmische trekkrachten van de verschillende fenomenen, (de 1 dimensionale entiteit (heelal) en een 4 dimensionale entiteit (een universum), op elkaar.

Noot: ik schrijf over de 1 dimensionale toestand omdat dit even als best mogelijk is voor mij om te beschrijven en voor te laten stellen door de lezer. Het liefst spreek ik zelf over de “Paradox” zoals ik deze toestand voor mijzelf voorstel. De 1 dimensionale toestand heb ik in mijn publicaties de 1e hoofddimensie (het (oer)heelal) genoemd. Wij leven in de 2e hoofddimensie (onze werkelijkheid, ons universum).   

 

Valt dit te verifiëren?

Misschien met het volgende gedachten experiment:

Een willekeurig deeltje in ons universum gehoorzaamt aan de volgende wet: het heeft een massa en als het draait dan heeft het een elektrisch en een magnetisch moment. Of het deeltje nou stilstaat of beweegt, al deze 3 eigenschappen heeft het in zich verenigd.

Versnellen wij het deeltje voorbij de lichtsnelheid en nog veel verder daarboven tot een fractie beneden de waarde (snelheid) c2 dan gaat het deeltje over in de toestand “E”. Het voldoet dus niet meer mee aan de voorwaarden voor een 4-dimensionale toestand. Voor de snelheid c2 vergt het wel enorme hoeveelheden energie om te versnellen. Gaandeweg, boven de (licht)snelheid van ca. 300.000 km per seconde gaan zich processen voordoen. Golflengtes veranderen en verschuiven naar beneden totdat zij de waarde nul (bij c2) hebben. De frequenties verminderen op enig moment ook tot 0 en hebben hun elektromagnetische eigenschappen verloren. Waardes schijnen dus te veranderen tot onder het ons bekende spectrum. Gelijktijdig in dit proces verruilt het deeltje zijn hoedanigheid van materie in die van energie “E.

Dit proces is niet hetzelfde als het invangen van materie (en dus ook lichtdeeltjes) in een zwart gat. Bij een zwart gat is de heersende kracht de gravitatie en hier is dat die van donkere energie. De energieën en afstanden gepaard gaande bij donkere energie liggen oneindig veel hoger dan die van de versnellingsenergie en afstanden ten gevolge van zwarte gaten. Dus de uitwerking op materie is ook significant anders.

 

Wat is dan “E” en hoe ziet “E” er dan uit?

Ergens in- of aan het eind van de situatie dat er geen sprake meer is van golflengte en/of frequentie manifesteert de “E” zich. Het deeltje bergt zoveel energie in zich dat het energie is en deel uitmaakt van de integrale “E” toestand. Dit tot op een moment dat “E” kan vertragen en zich vormen tot (een) deeltje(s). Eenmaal vertraagd zijn deeltjes gevangen in de toestand van 4 dimensionale werkelijkheid met een maximale snelheid van ca 300.000 km per seconde. Sneller kan eenvoudigweg niet meer en zijn dus gedoemd om de 4 dimensionale toestand te houden totdat zich een situatie voordoet waarbinnen zij weer terug kunnen keren naar de “E” toestand. Dat vergt heel veel energie. Vanuit dit oogpunt is het zelfs voor te stellen dat deeltjes eenmaal voortgekomen uit de “E” toestand deze nooit meer (helemaal) terug kunnen bereiken. Hoewel dit laatste slechts een overweging is. Leidend is bij mij de gedachte dat de 1e hoofddimensie oneindige energie in zich bergt. Om materie met oneindige energie terug te versnellen tot “E” is dus een aannemelijke mogelijkheid voor mij.    

Frequentie is dus blijkbaar ook een factor bij het terugkeren tot de “E”-toestand. Anders dan het terugzetten van een deeltje tot een deeltje dat slechts stilstaat hebben wij hier dus ergens anders mee te maken. Wij hebben niet te maken met bijvoorbeeld zeer hoge druk en samenpersing waarbij stilstand optreedt maar uiterste versnelling. Het omgekeerde hiervan zeg maar want de versnelling speelt zich af naar de buitenzijde van ons universum, dus in een groter volume.

 

Overgang van materie naar “E”

Het deeltje met zijn elektromagnetische eigenschappen gaat dus over van toestand (van materie naar “E”). Anders dan waar een materiedeeltje een eigen domeintje vertegenwoordigt in onze werkelijkheid neemt een “E” entiteit een andere gedaante aan. Het eigen “domeintje” verdwijnt en gaat over in een egale toestand van integrale “E”, de paradox (de eendimensionale toestand). Er is geen sprake meer van tijd en ook afstand neemt een andere, paradoxale, toestand in. Hier zijn de kenmerken: oneindige afstand versus geen afstand en oneindige tijd versus geen tijd, alle vier de eigenschappen in zich verenigd. Hier heb ik in mijn eerdere publicaties uitvoerig over geschreven.

 

Zegt de in ons universum aanwezige hoeveelheid materie iets over de samenstelling van de eerste hoofddimensie (“E” -toestand)?

In mijn ogen dus wel. Als wij alle materie in ons universum nemen (inclusief alle straling) en vermenigvuldigen maal het kwadraat van de lichtsnelheid dan komen we tot de totale “E” – equivalent. Het enige dat wij nog moeten weten is waar de overgang van ons universum in die van de paradoxale 1 dimensionale toestand precies gelegen is. Daarbij sluit ik zeker niet uit dat ons universum door de vorm van de oerontlading en mogelijk ook draaiing ook (iets) afgeplat of vervormd is en niet een volmaakte ronde vorm in alle richtingen heeft.

Als wij dit weten dan kunnen wij aan de hand van de inhoud en de totale massa een “egale” 3-dimensionale verdeling maken van die massa. Dus een egale aaneengesloten verdeling bestaande uit een enkelvoudige entiteit veronderstellen. (Volmaakt en aaneengesloten in elkaar opgegaan tot een egale, homogene, 1 dimensionale toestand maakt dit dus deel uit van de 1 dimensionale 1e hoofddimensie).

Deze toestand huisvest de basis-ingrediënten van het elektromagnetisme (materie, elektriciteit en magnetisme) in zijn meest elementaire vorm. Deze ingrediënten verworden zich tot materie bij de vorming uit een ontlading in een nieuwe 4-dimensionale werkelijkheid als de onze waarin wij leven.

In deze overweging heb ik nog geen rekening gehouden met eventuele invloeden van annihilatie (en hoe wij dit verder moeten interpreteren) aan het begin van de vorming van ons universum op bovenstaande berekening. Annihilatie veroorzaakt voor zover ik nu overzie ook geen veranderingen in mijn theorie.

 

Uit de speciale relativiteitstheorie volgt dat een deeltje met een rustmassa groter dan 0 nooit de lichtsnelheid kan bereiken. Een foton heeft dan ook geen rustmassa

In mijn hoofdstuk 5 ben ik al wat uitgebreider op dit onderwerp ingegaan.

De snelheid die een foton behaalt is de snelheid van een foton en de daarbij behorende fenomenen kunnen wij onder andere meten aan straling (bijvoorbeeld met onze ogen waarneembaar licht).

Echter deze snelheid is bij verre niet (nagenoeg onmogelijk want het vergt oneindige energie om deze te bereiken) de snelheid benodigd voor “E”. Als het echt de snelheid had voor “E” dan zou die snelheid c2 moeten zijn. Dat kan niet zoals ik eerder heb opgemerkt. Er is dus geen enkel beletsel om altijd massa toe te kennen aan een foton, los of in golven. Sterker nog: het is zo.

 

Magnetische werking verdwijnt bij fysische verstoring

Verwarming, druk, inwerking van kinetische evenementen, (botsingen etc.) hebben hun uitwerking op magnetische werking van objecten. Door dit soort evenementen die op kosmisch niveau op overwegende schaal spelen wordt het magnetisme teruggedrongen op de meest basale (kwantum) uitingsvormen. De atomen zijn immers uit hun rangschikking gehaald en als dit eenmaal is gebeurd dan hersteld zich dat niet meer automatisch.   

Dit schrijf ik ook omdat het mij fascineert in het licht van mijn theorie waarom de fotonen zich bij een magneet of magneetveld anders lijken te gedragen dan bij een lamp bijvoorbeeld. Ik denk dat hitte een belangrijke rol speelt.

 

Magnetische krachtlijnen

Zoals ik hierboven genoemd heb is bij een magneet (waarbij het materiaal dus magnetisch in tact is) sprake van krachtlijnen waarvan ik denk dat die bestaan uit fotonenstromen. Ik stel mij voor dat fotonen onderweg in een krachtlijn losse elektronen of andere deeltjes mee kunnen nemen door elektromagnetische binding en die eenmaal binnen het materiaal of object (voornamelijk en in het bijzonder op kosmische schaal) mede “aangroei” van massa kunnen veroorzaken. Dit gezien naast de gewone gravitationele werking dat van een object uitgaat.   

  

Elektrische ontladingen

Tussen twee tegenovergestelde polen kunnen elektrische ontladingen optreden. Elektronen verplaatsen zich van de ene naar de andere pool. Wat mij opvalt is dat een elektrische ontlading altijd op de kortere afstand lijkt af te spelen. Terwijl magnetisme een verschijnsel op grote (kosmische) schaal is. Daarmee bedoel ik niet te zeggen dat elektriciteit niet speelt op kosmische schaal want dat doet het juist wel. Magnetisme en elektriciteit zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een elektrische ontlading van bijvoorbeeld pool a naar pool b of een blikseminslag is altijd op de relatief korte afstand. Magnetisme strekt zich kosmisch uit (1/r2). Dit echter alleen binnen een 4 dimensionale werkelijkheid zoals de onze bijvoorbeeld. Daarbuiten gelden de wetten een andere dimensie (1 dimensionaal).    

 

Deeltjes niet “naakt” in mijn visie

Fotonenstromen rondom een magneet bijvoorbeeld kunnen interactie hebben met losse elektronen. Mijn theorie moet bezien worden uit het feit dat ik alle (elementaire) deeltjes in het spel van de kwantumdynamica niet als losse deeltjes zie maar als onderdeel van een magistraal “spel” met andere deeltjes. Bijvoorbeeld bij de elektronen in een baan om een atoomkern veronderstel ik een brede interactie met fotonen. En ga zo maar door. Dus ook in de kern van het atoom. 

 

­Ik zoek naar verklaringen met instandhouding van datgene wat al onderzocht is en bevestigd

Nogmaals wil ik stellen dat ik mijn denkbeelden probeer in te passen naar datgene wat er al is onderzocht en vastgesteld. Dit is mijn uitgangspunt. Mocht ik afwijken van opvattingen hoe interactie van de uitwerking van diverse theorieën op elkaar inwerken dan is dat mijn interpretatie. Dus expliciet mijn interpretatie en combinatie met uitleg van mijn visie op de waarnemingen- en onderzoeken die door anderen gedaan zijn.

 

Copyright Fred Baumgart

 

 

 

 

donderdag 20 augustus 2020

Donkere materie, fotonen, straling en zwaartekracht - HOOFDSTUK 6 – Wetenschappers kort uitgelicht met toelichting in context van mijn theorie

 

 Wetenschappers kort uitgelicht met toelichting in context van mijn theorie

 

James Clerk Maxwell (13-06-1831 – 05-11-1879)

In de eerste instantie stelde Maxwell twintig vergelijkingen met variabelen op die nog altijd het uitgangspunt zijn voor de klassieke elektrodynamica. Wiskundig is uit deze vergelijkingen af te leiden dat bewegende ladingen elektromagnetische golven uitzenden met de snelheid van het licht (door de ruimte). Op basis van zijn vergelijkingen kon hij theoretisch de lichtsnelheid berekenen. Vanuit zijn stellingen opperde hij dat licht een elektromagnetisch golfverschijnsel is. Ongetwijfeld is dit juist. Vanuit mijn theorie concludeer ik dat elektromagnetische straling, ook die in golven, altijd bestaat uit materie. In mijn theorie speelt de dualiteit van de deeltjes in onze 4-dimensionale werkelijkheid niet mee.

Maxwell heeft natuurlijk veel meer betekend, maar waarom ik het benoem is omdat ik de verbeeldingskracht zo sprekend vind.


Oliver Heaviside (18-05-1850 – 03-02-1925)

Met behulp van vectornotatie lukte het Heaviside in 1889 om met behulp van vectoranalyse de twintig basisvergelijkingen van Maxwell te vereenvoudigen tot 4 vergelijkingen.


Michael Faraday (22-07-1791 – 25-08-1867)

Faraday constateerde dat als er een magneetveld optrad er een stroom ontstond. Bij wijzigingen in de kracht van het magneetveld nam de elektrische stroom ook toe en af. Dit toonde hij aan door een stroomdraad tussen de polen van een hoefijzermagneet aan te brengen. De op elkaar inwerkende elektrische- en magnetische krachten deden de draad ronddraaien. Dit inwerken, resulterend in het ronddraaien van de draad vormt het basisprincipe van de elektromotor.

Ook uiterst interessant vind ik binnen de context van mijn stuk de “Kooi van Faraday”. Hoewel er altijd wel diktes zijn te bedenken die elke vorm van elektromagnetische straling tegenhouden geeft hij hier een praktische toepassing in het wegfilteren van bepaalde elektromagnetische straling. Dit afhankelijk van bijvoorbeeld de afstand van de mazen onderling van de kooi. De trilling in het ruimtelijke effect van de individuele deeltjes van de golf (tezamen met de samenstelling van de kooi) is kennelijk bepalend of die straling wordt tegengehouden.

In mij theorie merk ik op dat ieder deeltje zijn eigen domeintje inneemt in het spel van het elektromagnetisme. De eigenschappen van een foton (altijd materie) dus ook. Een hoge frequentie (draaisnelheid) geeft een klein domein in ruimtelijke dimensie gezien. Een lage frequentie geeft het omgekeerde ruimtelijke effect. Mede zo visualiseer ik de werking van deeltjes (maar ook atomen; moleculen etc.).      


Heinrich Hertz (22-02-1857 – 01-01-1894)

De golflengte is omgekeerd evenredig met de frequentie: het product van golflengte (in meters) en frequentie (in MHz) is ongeveer 300 de snelheid van het licht, (299.792.458 kilometer per seconde).

De snelheid per seconde is natuurlijk afhankelijk van waar wij ons in de ruimtetijd bevinden. Alles natuurlijk exact volgend naar de wetten van de algemene relativiteitstheorie van Einstein. 

Elders in mijn theorie heb ik opgemerkt dat lichtdeeltjes een medium verlaten in golven van deeltjes. (Het medium heeft de eigenschap om de deeltjes zo lang mogelijk te binden).

Eenmaal vrij geven deze lichtdeeltjes, als deeltjes met de minste massa uit ons universum, op de lange afstand het magnetisme door (1/r^2). Weliswaar zeer zwak door hun grootte maar door hun massaliteit een factor die niet overgeslagen mag worden. In ons universum vertegenwoordigen zij in hun kracht en werking het grootste deel van dat fenomeen dat wij donkere materie noemen. De golven deeltjes worden in meer of mindere mate afgebogen door andere (klonters) materie zoals sterrenstelsels, gaswolken etc. Komen zij in de buurt van een zwart gat dan kunnen de lichtdeeltjes ingevangen worden en hier in beginsel niet meer uit ontsnappen.

Ook elders heb ik opgemerkt dat de fotonen onder invloed van het vacuüm type 3 (veroorzaakt door de 1e hoofddimensie –zoals ik dat noem in mijn theorie-) naar de buitenzijde van ons universum toe bewegen. Dit verschijnsel kennen wij als donkere energie. Door hun lichtheid hebben de fotonen de grootste mogelijke snelheid binnen ons universum (ca 299.792.458 km per seconde). Alle overige materie heeft dezelfde eigenschappen maar door hun massa zijn de snelheidswerkingen in ons universum anders (lager).

Het is fascinerend te zien dat de frequentie niet van invloed is op de snelheid. Die blijft voor alle straling (niet de overige deeltjesstraling) gelijk. Fotonen in welke frequentie dan ook hebben dus blijkbaar allemaal dezelfde massa. Dit is na te gaan door verschillende straling naar snelheden te meten. Bij mijn weten is dit nog nooit gemeten (noch serieus onderzoek naar gedaan). Overigens zou het voor mijn theorie geen verschil uitmaken als er minuscule snelheidsverschillen zouden zijn tussen fotonen onderling. Wij praten dan over uiterst geringe verschillen in massa. 

Overigens denk ik ook wel eens dat elementaire deeltjes qua soort dus niet allemaal precies dezelfde afmetingen hoeven te hebben. Daarmee bedoel ik dat je de elementaire deeltjes ook op een lange schaal kunt leggen bijvoorbeeld van 1 tot 20. De deeltjes van plek 1 tot 2 op de schaal zijn bijvoorbeeld fotonen en 3 tot 4 (en alles wat er qua afmeting tussen valt) zijn bijvoorbeeld elektronen enz.


Albert Einstein (14-03-1879 – 18-04-1955)

In mijn ogen nog steeds de grootste wetenschapper.

De speciale relativiteitstheorie (1905) en de algemene relativiteitstheorie (1916) spelen in mijn theorie  grote rollen. Ik verwijs vele malen naar deze theorieën en haal ze aan om mijn stellingen te verduidelijken en te ondersteunen.  


Theodor Kaluza (09-11-1885 – 19-09-1954)

In 1919 is het Theodor Kaluza gelukt om Maxwells theorie van het elektromagnetisme samen met de theorie van de zwaartekracht van Einstein te verenigen tot een theorie. Deze theorieën kon hij verenigen tot een allesomvattende theorie door het invoeren (boven op de bekende 4 dimensies) van een 5e dimensie.

Hij zag het verband in ieder geval.


Oskar Klein (15-09-1894 – 05-02-1977)

De 5e dimensie van Kaluza had wel een probleem omdat deze onzichtbaar was. De wiskundige Klein verklaarde later deze 5e dimensie door aan te nemen dat deze was “opgerold” tot zeer kleine omvang.


Kaluza-Klein theorie

Het samenvoegen van de theorieën van Theodor Kaluza en die van Oskar Klein leidde tot de Kaluza-Klein theorie, een allesomvattende theorie.

Einstein zag veel in de theorie van Kaluza en hechtte veel waarde aan diens ideeën. Bij de opkomst van de kwantumdynamica werd echter het toevoegen van een 5e dimensie gezien als een wiskundige toevoeging, een truc, die geen fysische betekenis zou hebben. Het schijnt dat door de opkomst van de stringtheorie de Kaluza-Klein theorie weer sterk in de belangstelling is komen te staan. De stringtheorie bedient zich ook van meerdere dimensies omdat men zonder deze voorstelling geen theorie kan vormen die alle vier de natuurkrachten verbindt. 


Mijn visie op Kaluza-Klein

Ik denk dat Kaluza gelijk had als deze in een richting zocht die de elektromagnetische kracht en de zwaartekracht verbond. De reikwijdte 1/r^2 is gelijk. Als daar consensus over bestaat dan schaar ik mij hierachter. Ik ben het echter niet eens met de toevoeging van Klein om een extra 5e dimensie toe te voegen. Aan de 4 dimensies die wij nu kennen hebben daar hebben wij naar mijn inzicht voldoende aan. Dit houdt ook in dat ik denk dat nog meer dimensies (tot wel 11), benodigd voor de snaartheorie naar mijn mening ook overbodig zijn.


Wat denk ik dan?

Bij het zoeken van de meest logische verklaring hanteer ik weer het scheermes van Ockham en zoek de meest voor de hand liggende verklaring met de minste aannames en de minste entiteiten.

Ik vermoed dat zwaartekracht als een op zich bestaande kracht helemaal niet bestaat. Het effect van de zwaartekracht moet gezocht worden in de elektromagnetische kracht. Het elektrische veld en het magnetische veld staan loodrecht op elkaar. Magnetische monopolen bestaan niet, of zijn althans nog nooit aangetoond.

De magnetische veldwerking is op alle schaal in het elektromagnetisme aanwezig.


Een constatering

Zowel de sterke kernkracht als de zwakke kernkracht gehoorzamen aan de wetten van het elektromagnetisme. In beginsel komt het allemaal neer op de gedragingen van deeltjes in hun meest basale vorm (massa, spin en lading).  


IJkbosonen

Ik filosofeer even verder:

In de natuurkunde is er binnen  de heersende opvattingen sprake van 4 krachtvoerende deeltjes:

1.     Voor de sterke kracht de gluonen (pionen);

2.     Voor de elektromagnetische kracht de fotonen;

3.     Voor de zwakke kernkracht W bosonen en Z-bosonen en de hypothetische X- en Y-bosonen;

4.     Voor de zwaartekracht de hypothetische gravitonen.

Als ik het goed begrepen heb schijnt er onderzoek geweest te zijn naar de relatie tussen de zwaartekracht en de elektromagnetische kracht (Kaluza-Klein) en – recenter - de elektromagnetische kracht in perspectief van de zwakke kernkracht, (de elektrozwakke wisselwerking). En dus of deze beide krachten (middels wiskunde en theorieën) te verenigen zouden zijn.

Deze Kaluza-Klein theorie is in hernieuwde belangstelling komen te staan maar dan meer in het perspectief van de snaartheorie. In ieder geval heeft men verdere richting gezocht in het toevoegen van meer dimensies (5e Kaluza-Klein 1921 en 11 in de snaartheorie 1970). De elektrozwakke wisselwerking kan op bredere consensus rekenen.

Met uitzondering van de sterke kernkracht is men wat betreft de andere drie krachten sterk van mening dat er een relatie moet bestaan en wellicht dat deze krachten in wezen een en dezelfde natuurkracht vertegenwoordigen.

In de vele jaren onderzoek is men nog niet verder gekomen. De knapste koppen zijn er niet uitgekomen (nog). Door de vele interactie tussen deeltjes is het geheel zeer moeilijk in een passend wiskundig model te gieten.

Verreweg de meeste – zo niet alle - deeltjes tot op het elementairste niveau toe hebben een spin en dus een magnetisch- en een elektrisch moment.

Alleen deeltjes met een massa zouden dus theoretisch stil kunnen staan, ergo dan kunnen zij ook niet de lichtsnelheid volgens de wet van Hertz halen want zij hebben geen frequentie (en ook geen elektrisch of magnetisch moment).

Elk deeltje vervult in ons universum zijn functie in zijn eigen “domeintje”, deze domeintjes liggen allemaal tegen elkaar aan in het vacuüm van ons universum zodat ieder vakje is opgevuld en er geen sprake meer is van een (perfect) vacuüm (In de ruimte, hoewel sterk verdund, dus ook niet). Dit gaat door tot het niveau van de, bij wijze van spreken, aller-elementairste deeltjes.

Ik denk niet dat op het niveau van het allerkleinste er zich een keur van verschillende samenstellingen van die deeltjes zal voordoen. (De ene zal niet samengesteld zijn uit beton en de andere uit watten als voorbeeld.)

Ik denk dat er geen 5e dimensie (of nog meer) benodigd zijn. Slechts de elektronenschil rond de kern en de residuele werking van de sterke kernkracht die de concentratie van de dragers van de elektromagnetische kracht, de fotonen, mogelijk maakt om de zwaartekracht - en daarmee het samengaan van deze twee krachten (de elektromagnetische en de zwaartekracht) tot uiting te laten komen. Het traploze aantrekkings-effect vanuit de atomen wordt tot in de verste uithoeken van ons universum doorgegeven door de elektromagnetische straling.

Fotonen vertegenwoordigen, zoals ik eerder heb geconstateerd, altijd massa. Deze fotonen trekken elkaar aan in plus-min formatie in strengen. Zij bewegen zich voort met de lichtsnelheid naar de buitenrand van het universum. Deze strengen, gebundeld tot golven bestaan niet uit energie (pure E, linkerkant formule speciale relativiteitstheorie van Einstein) want daarvoor is hun snelheid bij lange na niet toereikend. (Geen c2 maar slechts iets onder de wortel hiervan c)        

De (4 dimensionale) algemene relativiteitstheorie van Einstein is hierop schitterend van toepassing. 

Dus niet de aanname van de, tot zeer kleine omvang opgerolde, 5e dimensie maar de werking van de residuele werking van de sterke kernkracht samen met de fotonenwolken rond de elektronenschillen om de kern, vertegenwoordigd door de ter plaatste aanwezige massa is voldoende om de veronderstelde – niet op zichzelf aanwezige en ook niet als op zichzelf staande kracht benodigde - zwaartekracht en de elektromagnetische kracht overal in ons universum te verenigen. 

Fotonen gaan interactie aan met elektronen, die op hun beurt weer de interactie ondervinden met de protonen in de kern. De los bevindende fotonen in onze atomaire ruimte hebben in hun ongebonden staat aan een elektron ook hun interactie met elkaar en ondervinden invloed van de kern. Daarnaast gaat straling overal vanuit ons universum ook door de ruimtes van de atomen heen in hun golfpatroon en heeft daar ook zijn interactie.

Het kan natuurlijk niet zo zijn dat als een grote hoeveelheid fotonen zich gaan richten in golven door het een of andere evenement dat er aan die fotonen ineens een elektrische en een magnetische component toegevoegd wordt. Deze componenten zijn altijd in een foton aanwezig.

En al zouden fotonen overgaan in energie, dan zou je mogen aannemen dat dan ineens de zowel de elektrische en de magnetische component als wel de massa over zouden gaan in de energie. Om daarna bij een ander evenement weer terug te keren in de eerdere vorm van een gedraging als deeltje. Dit is hoogst onwaarschijnlijk.  

De magnetische invloed wordt overgebracht door de (cumulatieve) residuele werking van de sterke kernkracht. Hier is slechts een minieme invloed nodig. Het Yukawa potentiaal 1/r^7 geeft hierin helderheid. Het residuele restje aan het eind van de sterke kernkracht is voldoende om de magnetische velden in de elektromagnetische straling te beïnvloeden en dus om het verschijnsel van de zwaartekracht te genereren. Alle fotonen, of zij in een golf bevinden of los hebben in beginsel dezelfde invloed op elkaar. 


Hideki Yukawa (23-01-1907 – 08-09-1981)

In 1935 publiceerde Yukawa zijn artikel dat de massa kon inschatten van dat deeltje dat de sterke kernkracht veroorzaakt. In 1947 werd het deeltje – het pion – experimenteel aangetoond door Cecil Powell.


Georges Henri Joseph Edouard Lemaître (17-07-1894 - 20-06-1966)

Leverde zeer belangrijke bijdragen aan de algemene relativiteitstheorie. Tevens de hypothese van een uitdijend heelal (1927) en de grondlegger van de oerknaltheorie.

Ten aanzien van de oerknaltheorie wil ik opmerken dat Einstein deze theorie omarmde bij gebrek aan een betere stelling. Met name de problematiek van oneindige druk en oneindige temperatuur kon hij niet beredeneren. Mijn theorie behelst een oerontlading in plaats van een oerknal. In ieder geval spelen hier de begrippen oneindige druk en oneindige temperatuur niet.


Edwin Powell Hubble (20-11-1889 - 28-09-1953)

In belangrijkste perspectief tot mijn theorie merk ik op dat Hubble het verband van de roodverschuiving van diverse sterrennevels tot de Aarde doorzag. Aan de hand van dit gegeven legden anderen het verband met een uitdijend heelal (in mijn begrippen: ons uitdijend universum).

Albert Einstein hield in zijn voorspellingen rekening met een gelijk- en statisch universum. In zijn berekeningen ging hij van dit gegeven uit en noemde het de “kosmologische constante”. Later benoemde Einstein deze veronderstelling van zichzelf als zijn grootste vergissing.


Fritz Zwicky (14-02-1898 - 08-02-1974)

In 1933 kwam Zwicky tot de conclusie bij het bestuderen van een cluster van om een gemeenschappelijk zwaartepunt bewegende sterrenstelsels dat er zich veel meer massa in het cluster moest bevinden dan de massa berekend aan de hand van de hoeveelheid licht die hij in dat cluster waarnam. De ontbrekende hoeveelheid massa was niet waar te nemen. Omdat deze massa er wel moest zijn noemde hij deze “donkere materie”

Na 1933 zijn er vele verklaringen en veronderstellingen geopperd en ingebracht waar deze ‘donkere materie” uit zou bestaan. Tot op heden is er nog geen verklaring gevonden. Mijn theorie is ook zo’n verklaring, maar dan uit een ander perspectief die ik nog niet ben tegengekomen. Vergeleken met de andere stellingen is die van mij nog niet becommentarieerd of nader onderzocht. 


Zwarte gaten

De effecten die ik beschreven heb kunnen ook toegepast worden op zwarte gaten. Om niet in herhalingen te vervallen verwijs ik ook naar wat ik hierover al heb geschreven.

De doorgifte van de CRSK op de fotonen is zo immens geworden dat de atomen dichter op elkaar getrokken worden. In de ruimte van de atomen die op elkaar gedrukt zijn bevindt zich ook een steeds toenemende concentratie van fotonen. Deze fotonen ondervinden aan het oppervlak van het zwarte gat nog steeds de immense aantrekking. De aantrekkingskracht die het opwekt in dit hele spel is zo groot dat zelfs ander licht (fotonen) – en materie etc. natuurlijk – aangetrokken wordt. Deze aantrekking gaat door tot de waarnemingshorizon van het zwarte gat.

Bij sommige zwarte gaten, waar de druk en omstandigheden daartoe geschikt zijn ontstaan stralen van uitgestoten straling aan de polen. De zogenaamde “flashes”.


Flashes

Naar mijn mening ontstaan flashes door verschillen in de dikte van de soep van straling om het zwarte gat. Als door bijvoorbeeld magnetisme een onbalans in zwaarte van de gecompresseerde massa’s van straling ontstaat zal deze zich vanaf het middelpunt, waar deze soep het dikste is het hardst willen imploderen. Echter in het zwarte gat zelf is hier geen ruimte meer voor en het stort in. Zie de vorm van de omgeving van het stralingsomhulsel als een denkbeeldige basketbal die om de materie van het zwarte gat heen ligt.

Gevolg is dat de straling onder gigantische druk een uitgang zoekt aan de polen van het zwarte gat, waar de schil het dunste is en met een gigantische kracht- en intensiteit aan beide zijden het universum wordt ingeblazen. Vergelijk het met een citroen die je fijnknijpt in je hand waarbij de inhoud van boven en onderen er uit spuit. Bij flashes is het echter geen materie die vrijkomt maar straling (eventueel vervuild met wat materie die nog niet opgenomen is kunnen worden in de val naar het zwarte gat).


Hoe verhoudt het bovenstaande zich met “donkere materie”

Het ligt eigenlijk heel simpel. De donkere materie in de hoedanigheid waarvan wij naar opzoek zijn bestaat niet. Het bovengenoemde effect in de elektromagnetische straling is precies voldoende om alle objecten van ons universum in hun baan te houden.


Unificatie

Ik zie dat mijn zienswijzen een vereniging inhoudt van de fundamentele natuurkrachten tot een theorie die zowel op kwantum- als op kosmisch niveau in elkaar past. Alle andere – veel ingewikkeldere – theorieën geven (nog) geen unificatie. Mijn theorie geeft ook een visie op de situatie die tot een oerontlading leidde. (Om het meer visueel te maken voor de lezer: wat er gebeurde voor en op het moment van de oerknal).

Natuurlijk, er zijn talloze andere elementaire deeltjes en processen op kwantumniveau die ook meespelen in vele fysische processen. Het is nog niet helemaal doorgrond hoe deze op elkaar inwerken. Naar mijn mening is het slechts een kwestie van tijd voordat de hele interactie hiervan begrepen wordt, dat kan niet anders. Wat hier tot mijn stellige overtuiging wel uit naar voren gaat komen is dat de werking van gravitatie tot op kosmische schaal aan toe vanuit het atoom zelf komt doorgegeven via het canvas van de elektromagnetische straling) en niet vanuit een hypothetisch begrip als “donkere materie”.

Misschien is mij theorie te eenvoudig. Soms denk ik dat ook wel want ik kan mij niet voorstellen dat alle knappe koppen die met deze materie zich bezig hebben gehouden deze mogelijkheden die ik naar voren breng niet overzien hebben. Ik acht dat bijna onmogelijk. Ik zie evenwel geen aanknopingspunten om te concluderen dat men het in mijn richting gezocht heeft.

Faraday, Maxwell, Herz, Newton, Einstein en nog vele andere giganten hebben hun prachtige onderzoekswerk verricht waarvan wij allen gebruik van mogen maken. Ik zie dit als een voorrecht. Of ik alles juist zie of geïnterpreteerd heb moet natuurlijk nog blijken. Er bestaat altijd een mogelijkheid dat ik er volledig naast zit. Maar dit is natuurlijk ook met alle andere stellingen die nog niet bewezen zijn het geval. Dus ik zal mijn schroom moeten overwinnen.

Elektromagnetisme als pure vorm van energie, dus niet als materie te zien, zou een ander licht op mijn stellingen kunnen werpen. Het hoeft echter niet. In mijn hoofdstukken ga ik hier verder op in. Ik  doe dit in het perspectief van de speciale relativiteitstheorie van Einstein, die mijn gedachtegang hierover ondersteunt.


Verifiëren en falsificeren

Van alle theorieën die ik ken en zie valt die van mij het eenvoudigst te toetsen denk ik.  Onderzoekmogelijkheden, anders dan mijn fantasie, heb ik helaas niet.

Ik zou dolgraag willen onderzoeken wat zich in de ruimte rond het atoom afspeelt waar het geheel van het manifesteren van de “zwaartekracht” begint. Is het de cumulatieve residuele sterke kernkracht (CRSK) of iets anders (want het is mij wel duidelijk dat het hele spel dat zich over kosmisch niveau uitstrekt daar, in dat gebied, begint.)

En ook: heeft de magnetische golf in de elektromagnetische straling die betekenis die ik er aan toedicht? Zo nee, hoe komen verschijnselen als bijvoorbeeld zwaartekrachtlenzen dan tot stand?


Kat van Schrödinger en onzekerheidsprincipe van Heisenberg

Het kat van Schrödinger en het onzekerheidsprincipe van Heisenberg zijn beiden heel bekend in het omschrijven van het dualisme van gedragingen van materie als deeltje en als golven.

De “kat van Schrödinger” oogst veel kritiek.

Het onzekerheidsprincipe van Heisenberg omvat dezelfde materie en wordt wat steviger omarmd.

Het gaat er bij beiden om een universeel verschijnsel te beschrijven: het is onmogelijk om van een deeltje precies te duiden waar hij op een bepaald moment is en waar hij heengaat. Dit verschijnsel zou zich op allerlei schaal voordoen maar op kwantumniveau is dit het meeste zichtbaar. De structuur van een golf is immers geen perfecte sinus en er zijn zoveel variabelen die inwerken op de golf dat het niet te voorspellen is hoe de golf zich zal ontwikkelen. Dus het deeltje wat zich er in bevindt ook niet. In ieder geval blijft de structuur van waaruit de golf is opgebouwd uit die van deeltjes. Aan de andere kant vind ik dat als wij als mensen die ontbrekende variabelen niet kennen die uiteindelijk de structuur en de plaats van een deeltje in de golf bepalen dat die variabelen er niet zijn. Die zijn er natuurlijk wel alleen wij (her)kennen ze (nog) niet. Kunstmatige intelligentie (straks met behulp van de rekenkracht van kwantumcomputers) heeft al voor verrassende resultaten gezorgd in de wetenschap. Wellicht binnenkort op dit gebied ook.

Ik denk dus ook golven helemaal bestaan uit materie. Ook al zouden wij elektromagnetische golven energie noemen dan nog horen zij thuis aan de materiekant van de formule van de speciale relativiteitstheorie van Einstein.

Ik blijf het overigens een heel raar gegeven vinden dat binnen de huidige inzichten fotonen blijkbaar van de ene kant van de formule E=mc2 naar de andere kant kunnen verhuizen en weer terug etc. Als dit al zou kunnen dan houdt dit in dat in ons universum wij rekening moeten houden met wisselende hoeveelheden en verhoudingen energie versus materie, die elkaar overigens wel steeds in evenwicht moeten houden. Natuurkundig lijkt mij dit niet te kunnen (in perspectief van mc2).  

Hieronder deel ik mijn visie verder waarom wij naar mijn inzicht geen rekening hoeven te houden met dit dualisme van energie en materie. Ik laat dit punt vooralsnog even voor wat dit is.


Schrödinger en Heisenberg in perspectief van Einstein.


Speciale relativiteitstheorie van Einstein (1905)

De speciale relativiteitstheorie had als bijzonder gevolg dat absoluutheid van tijd en plaats, ook op grote afstanden, niet meer gold.

Deze theorie (E=mc2) is natuurlijk volkomen juist. Alleen voor de uitwerking moeten wij kijken naar de exacte plaats waar dit van toepassing is. Dat is niet in ons universum. Hiervoor moeten wij naar het oerheelal waar ik al heel veel over geschreven heb.

Massa versneld met de factor lichtsnelheid in het kwadraat kan eenvoudigweg niet in ons universum. Straling, bijvoorbeeld zichtbaar licht beweegt zich met een snelheid van bijna 300.000 km per seconde. Dat is onvoorstelbaar veel minder dan diezelfde snelheid maal diezelfde snelheid, ofwel een 9 met 10 nullen per seconde (90 miljard kilometer per seconde). Ik zie geen enkel experiment of omstandigheid in ons universum die materie zo snel laat bewegen om het dus over te laten geen in energie (E).


Algemene relativiteitstheorie (1916)

Anders is het met de algemene relativiteitstheorie die exclusief van toepassing is op onze – en andere – werkelijkheid waarin wij leven. Deze theorie veralgemeniseert zijn speciale relativiteitstheorie en die van Newton. Hier wordt de gravitatie in zijn meetkundige eigenschappen van ruimte en tijd (de ruimtetijd) van de aanwezige (massa-energie en de lineaire impuls) van de aanwezige straling en energie in de formule mede betrokken. Hierdoor konden verschijnselen als krommingen in de ruimtetijd bijvoorbeeld in berekeningen voor toepassingen als GPS worden betrokken.

Dit klopt ook, overal in ons universum verschillen de hoeveelheden straling en materie in dichtheid. Logisch dat er met deze variabelen rekening gehouden moet worden.

Van lichtsnelheid wordt aangenomen dat dit de snelheid is als elektromagnetische straling door een perfect vacuüm heen beweegt. Alleen al het fenomeen van de donkere energie maakt dat er nergens in ons universum sprake kan zijn van een perfect vacuüm. 100% Van de theoretische maximale lichtsnelheid valt dus nooit te behalen. Daarom is de algemene relativiteitstheorie van groot belang om krommingen in de ruimtetijd, tijddilatatie bijvoorbeeld te kunnen berekenen.

Door dit verschil in vacuüm is de snelheid van de straling (en ook de frequentie van atomen, afhankelijk waar en ook in welk object zij zich bevinden) verschillend. Hierdoor treden ruimtetijd verschillen op (Tweelingparadox is hier een mooi voorbeeld van).


Wat wil ik hiermee zeggen?

Hierboven stel ik dat 100 procent van de theoretisch maximaal haalbare lichtsnelheid niet kan voorkomen en toch klopt de algemene relativiteitstheorie van Einstein.

Dit komt omdat datgene wat wij ons voorstellen als energie in ons universum helemaal geen energie is maar materie.

De formule van Hertz zegt wel dat afstand in meters maal de frequentie in MHz altijd ongeveer 300 (hiermee de lichtsnelheid bedoelende) is. Klopt dat dan niet? Ja, dat klopt, deze elektromagnetische straling beweegt zich voort met de lichtsnelheid gecorrigeerd met de samenstelling van de materie en “energie” waar het zich doorheen beweegt. Alleen het deel van de straling dat wij als energie zien is gewoon materie. Deze straling heeft natuurlijk zijn eigenschappen, je kunt er bijvoorbeeld laserstralen mee maken maar het blijft door zijn snelheid (weliswaar die van het licht) de status van materie behouden.

Volgens mij kunnen wij dus datgene wat wij zien als energie gewoon materie noemen. Een golf elektromagnetische straling is niets anders dan een golf fotonen die onderweg willen zijn naar de buitenrand van ons universum. Dat verandert niets aan allerlei natuurkundige wetten die door vele geleerden zijn geformuleerd. Ik zie dat alles wat eenvoudiger te benaderen wordt door mijn zienswijze. Een laserstraal blijft een laserstraal en een kernbom een kernbom.

En hoewel je soms te laat bent of te vroeg, een deeltje of materie kan alweer weg zijn, het is er. Dat wij het niet precies kunnen voorspellen waar het is doet niet ter zake. Wachten is dus op microscopen of experimenten dat wij het kunnen zien gebeuren. Als je eenmaal het deeltje hebt kunnen volgen voor een bepaalde tijd kun je het ook volgen en voorspellen waar het heen gaat.


Waarom worden fotonen die onderhevig zijn aan een magnetisch veld dan niet met de lichtsnelheid weggetrokken van de magneet en blijven zij in hun baan?

Dit komt omdat fotonen overal naar een optimum zoeken. Door de onderlinge aantrekkingskracht van de fotonen blijven zij “verbonden”. Dit komt door de effecten die ik omschreven heb in mijn theorie. Ze zijn wel dynamisch in beweging in het hele spel rond en in de atomen (zie ook de CRSK). Doordat de elektronen in de magneet hun effect uitoefenen komen de fotonen in beroering. Er blijven evenwel per saldo evenveel fotonen in- en rondom de magneet. 


Fotonen altijd met de snelheid van het licht? - vervolg

In de natuurkunde lees ik dat fotonen ook als zij bijvoorbeeld van het ene naar het andere elektron uitgewisseld of vrijgegeven worden dit met de snelheid van het licht gaat. Ik stel mij voor dat het uitgangspunt in de natuurkundige opvattingen was hierbij was dat de fotonen geen rustmassa hadden en zich daardoor met de lichtsnelheid zouden voortplanten. Dat was immers het kenmerk van een deeltje zonder rustmassa want die hadden geen invloed te ondervinden van materie.

In elk geval stel ik mij voor dat rondom zwarte gaten er bij bepaalde omstandigheden zich verschillen in snelheden van fotonen moeten gaan voordoen. Wat gebeurt er bijvoorbeeld bij een superzware ster (net geen zwart gat nog) waar licht uit ontsnapt. Of: op enig moment in de vorming van een zwart gat is de ontsnappingssnelheid van licht even groot als de gravitatie van het zwarte gat zelf. Licht dat onderweg was zal omkeren maar niet nadat het even (of op zijn minst nagenoeg) tot stilstand is gekomen.

Fotonen hoeven dus niet altijd met de lichtsnelheid te bewegen.


Fotonen en elektronen, wie en waar spelen zij de hoofdrol?


Magneet

Hier spelen de fotonen de actiefste rol. Bij een staafmagneet bijvoorbeeld bewegen zij zich in- en extern rondbewogen door de eenduidige bewegingen in de elektronenschillen van de atomen van de magneet. Bij een magnetisch veld rondom een hoogspanningskabel bijvoorbeeld: de elektronen bewegen zich weliswaar niet met hoogste snelheden door de leiding maar hun immense aantallen maken de sterkte. Hieromheen formeert zich dus een magnetisch veld bestaande uit fotonen.

Rondom een hoogspanningskabel zou je dus veranderingen in de zwaartekracht moeten kunnen waarnemen ten opzichte van de omgeving. Dat is een logisch gevolg dat uit mijn stellingen voortkomt.


Elektriciteit

Bijvoorbeeld een windturbine. De generator “vangt” als het ware elektronen uit de lucht en transporteert ze door een kabel waar aan het eind de stroom zijn werk doet en de (resterende) elektronen het geheel weer verlaten als ongebonden elektron. Dit zelfde principe gaat op bij elke toepassing van opwekking en transport van elektronen (“energie”). Accu, hier worden de elektronen tijdelijk opgeslagen tot gebruik nadat zij eerst gevuld zijn met een medium dat de elektronen aanleverde (dynamo – die de vrije elektronen afving en naar de kabel die naar de accu toe gaat geleidde - in dit geval).

Hoe sterker de stroom door de leiding, en hoe meer windingen, des te sterker het magnetische veld. De fotonen willen meereizen en verzamelen zich in immense aantallen (in sterkten Tesla) rondom de leiding. Zij worden in immense aantallen aangetrokken door de elektronen in de spoel en geven dus onderling de gravitatie door.

Zwaartekracht komt dus (mede) voort uit een bindingsproces van elektronen en fotonen, maar dus ook van fotonen onderling. Omdat elektronen geconcentreerd zijn in het atoom – en ook hun specifieke werking binnen het atoom - volgt de zwaartekrachtswerking daaruit. Als dit niet zo zou wezen dan was er logischerwijs ook geen universum mogelijk. Fotonen willen binden aan elektronen maar dat kan slechts in een beperkte mate, afhankelijk van de afstand tot de atoomkern. De sterke kernkracht onderhoudt tevens de afstand tussen de elektronen en de kern zodat zij elkaar niet aanraken.

Er dienen zich bij de vorming van gravitatie (dat naar mijn stellige overtuiging een kwantum-fenomeen is) drie mogelijkheden aan (binnen de context van mijn theorie):

1.     De CRSK waarover ik al veel geschreven heb;

of

2.     De aantrekkingskracht van de elektronen op de fotonen (andere deeltjes spelen natuurlijk ook hun rol mee, maar dit is de hoofdzaak);

of

3.     Een combinatie van beiden.


Welke van de drie mogelijkheden is juist?

De aantrekkingskracht van elektronen en fotonen is duidelijk (optie 2).

Het aantal elektronen deel uitmakend van een atoom is aan een minimum en maximum gebonden. Er kunnen wel meer of minder elektronen aanwezig zijn. Wij noemen dit ionisatie.

Hoe geconcentreerder de massa, hoe sterker de gravitatie.

Bij een lagere baan laat een elektron een foton los en vice versa. Bij toenemende druk zal het niet zo zijn dat elektronen ineens veel meer fotonen gaan aantrekken. De atomen worden wel kleiner qua ruimtelijk volume dat zij innemen bij het toenemen van de druk. De gravitatie gaat omhoog. Het aantal elektronen wordt niet verhoogd, dit leid ik af uit het gegeven dat bij oplopen van de druk geen ionisatie optreedt.

Optie 1 (en 2 en 3 voor een secundair deel) is dus de juiste op het primaire niveau. Elektronen spelen hun spel wel mee in de werking van de gravitatie maar de CRSK is de overheersende krachtfactor in het spel van de gravitatie tot en met op kosmisch niveau. Ook andere deeltjes spelen mee in het dit effect van het optreden van gravitatie (ik heb dit eerder genoemd) maar dit zijn de belangrijkste effecten. IJkboson foton heeft altijd massa.  

Nog een laatste opmerking over het bovenstaande: Op het laatst zitten de atomen zo dicht op elkaar gepakt in zwarte gaten dat er geen frequentie meer mogelijk is. De tijd staat stil… En: hoe vreemd het ook moge klinken… de Vanderwaalskracht die de atomen heel krachtig bij elkaar hield neemt af tot nihil. Elektromagnetisme idem, want er draait niets meer en alles heeft een spin 0 ter plaatste. De enorme gravitatie wordt wel in stand houden maar dat wordt veroorzaakt door hogere schillen rond het gebied van waar frequentie onmogelijk is geworden. Zwarte gaten blijven dus zeer bijzondere fenomenen waar ik graag verder over wil filosoferen.


Zou een zwart gat een start van een nieuw universum kunnen zijn?

Vanuit mijn theorie dus niet. Tenzij ons gehele universum in een gemeenschappelijk zwart gat zou verdwijnen maar dat nemen wij niet waar. Als dat waar zou zijn dan zou dat ook betekenen dat als dat zou gebeuren en alle materie opeengepakt zat tot het absolute minimum - bij een Vanderwaalskracht van 0 - een explosie zou plaatsvinden waarbij de aanwezige materie zich als het ware opblaast tot een nieuw universum met een nieuwe 4-dimensionale werkelijkheid. Dit lijkt mij onwaarschijnlijk. Ook vanuit het perspectief gezien van de mogelijke – zeer aannemelijke - aanwezigheid van een multiversum.

Bovendien, als een zwart gat een start zou zijn van een nieuw universum dan zou dat een klein universumpje betekenen en dat te midden van andere structuren die nog zouden zijn blijven bestaan doordat zij nog niet in dat zwarte gat of een andere waren gezogen. En als een exploderend zwart gat toch de start is van een nieuw (mini-)universum dan zouden de eigenschappen dus hetzelfde moeten luiden als bij- en na de start volgend op de vermeende oerknal van ons universum. Dit zie ik ook niet als reële optie.

 

Copyright Fred Baumgart

woensdag 10 juli 2019

Donkere materie, fotonen, straling en zwaartekracht - HOOFDSTUK 2 - Energie, straling en licht


HOOFDSTUK 2

Energie, straling en licht

Heel lang denk ik al na over het hoe en waarom alles zo in elkaar steekt en hoe het komt dat wij er zijn. In dit stuk wil ik mijn gedachten over het verschijnsel van de donkere materie naar voren brengen.

In mijn stellingen en overwegingen ga ik er meer van uit met de basis wat wij al hebben en waarnemen in plaats van verklaringen te zoeken uit fictieve zaken die wij hypothetisch aannemen. Ik krijg sterk het vermoeden dat wij misschien al voldoende hebben aan wat wij reeds weten en zien en daar meer verband en effecten aan moeten gaan toekennen als wij dat nu doen. Ik benader de vraagstelling vanuit de meest eenvoudig en voor de hand liggende manier. Om mijn vermoedens en stellingen te weerleggen zou eigenlijk alleen experimenteel aangetoond moeten worden dat het niet werkt zo. Volgens mij is dat echter nog niet gebeurd. Ondertussen begin ik steeds sterker te denken dat het wel zo werkt. Ik zie het namelijk gebeuren. Ik probeer mijn stellingen in verschillende hoofdstukken vanuit zoveel mogelijk (inmiddels flink wat) invalshoeken en argumenten te onderbouwen.    

Al jaren denk ik dat het mysterieuze verschijnsel dat wij donkere materie noemen verband houdt en zelfs hetzelfde is als de wirwar (voor mijzelf noem ik het “het canvas”) aan straling dat zich in ons universum, dus ook in de ruimte tussen de objecten, bevindt. Voor mijzelf denk ik dat er een totaalverband moet zijn tussen de straling en donkere materie en dat dit hetzelfde moet zijn.

Ik denk dat straling – wil het zijn kenmerken blijven behouden - niet uitrekbaar is (omdat je dan theoretisch snelheden boven de lichtsnelheid gaat krijgen) maar elkaar in zijn samenhang (in deeltjes, ook individueel op het niveau van atomen) wel aantrekt. (Dit leid ik ook af aan in samenhang en mijn waarneming van zwaartekrachtlenzen en zwaartekrachtgolven. In mijn zienswijze noem ik bijvoorbeeld ook het effect van de getijdenwerking veroorzaakt door onze Maan een zwaartekrachtgolf. Zwaartekrachtgolven, of zij zich nou op atomair- of kosmisch niveau afspelen is in mijn waarnemingen voor mij hetzelfde verschijnsel).

Dit houdt in – volgens mij - dat objecten elkaar kunnen aantrekken via de straling die onderling heerst en ook op elkaar wordt uitgeoefend.

Objecten trekken via de straling aan elkaar, dat is mijn uitgangspunt. Ik gebruik in mijn stelling ook de relativiteitstheorieën van Einstein en ook zijn opmerkingen over de zwaartekrachtlenzen en hoe fotonen zich daarin gedragen. Daarover later meer.
  
Ik besef dat ik kritiek kan verwachten met deze stelling. De verklaring van het verschijnsel donkere materie die in enorme hoeveelheden aanwezig moet zijn in ons universum is nog steeds een mysterie. Talloze verklaringen en mogelijke oplossingen passeren de revue en naar alle wordt serieus gekeken en ingegaan. Terecht natuurlijk.

Ik begrijp dat men stelt dat de elementaire (fotonen) deeltjes waaruit de meeste straling bestaat ook als massaloos gezien worden door de wetenschap waarmee de mogelijke grondslag voor - het bijdragen of zijn van - de donkere materie zou kunnen komen te vervallen.

Met straling bedoel ik ook in de context van dit stuk de los bewegende fotonen binnen de ruimtes van de atomen.

Als ik schrijf over ons universum dan bedoel ik dat unieke deel van het multiversum waarin wij leven, onze werkelijkheid. 

Gebruik ik de term het “heelal” dan bedoel ik het multiversum inclusief ons universum waarin wij leven. Ook bedoel ik de staat of sfeer waarin het multiversum kan bestaan. Ik bedoel met heelal dus alles.

Schrijf ik over het toekennen van natuurkundige realiteit dan bedoel ik dat binnen de context van dit onderwerp.  

Daar waar ik verwijzingen gebruik naar vorige blogs die ik heb geschreven moet ik een klein voorbehoud maken. Hoewel ik nog volledig achter de inhoud sta kan het zijn dat ik als gevolg van voortgeschreden inzicht sommige dingen misschien iets duidelijker en overzichtelijker verwoord zou hebben.   

Ik hoop dat ik in mijn nieuwsgierigheid niet al meteen een aantal natuurkundige grondbeginselen geweld heb aangedaan waardoor mijn denkbeelden op voorhand al kansloos of onmogelijk zullen zijn.
In ieder geval heb ik mijn argumenten waarom ik er zo over denk zorgvuldig in dit stuk opgesomd.


Optisch bedrog

Het lijkt alsof dit hiervoor genoemde effect die door straling wordt veroorzaakt gering is maar volgens mij is het effect juist groot doordat er namelijk sprake is van een optisch bedrog. De straling waarmee objecten aan elkaar trekken is niet de grootte zoals wij die waarnemen met ons oog op afstand. De invloed van de straling is even groot als de helft van het oppervlak dat zich in de richting van de invloed van het stralende lichaam bevindt in echte vierkante kilometers. Als voorbeeld als wij naar Mars kijken zien wij een puntje aan de hemel. In werkelijkheid is het door de zon bestraalde gedeelte de helft van de totale oppervlakte van de planeet. Vele duizenden vierkante kilometers dus. Er is ook sprake van een brandpunt in het midden, degressief afnemend naar de buitenranden van het aangestraalde object. Hierbij maakt natuurlijk de afstand van het afstralende object ook uit, hoe verder verwijderd hoe meer de straling van het uitzendende object of bron verdund is.

Natuurlijk speelt de massa van de onderscheidenlijke objecten ook een onontbeerlijke rol in dit geheel van aantrekking. Later in dit stuk ga ik hier verder op in.

Hoe verder van het object af, hoe groter de baan aldus. Baanlengte en hoeveelheid uitgezonden- en ingevangen straling, alsmede de grootte en dichtheid van de zendende en invangende objecten en de afstand tot elkaar, zijn dus rechtstreeks van invloed.

Het hierboven genoemde verschijnsel moet in mijn ogen de samenbindende kracht tussen objecten veroorzaken die wij de donkere materie noemen. 


Kunnen wij dit verifiëren?

Ik denk aan de schommeling van een ster als een (exo)planeet passeert in zijn voor ons waarneembare baan. De lichtintensiteit wisselt bij passeren in zicht. Bij niet in zicht passeren is een schommeling van de ster waar te nemen. De hoeveelheid donkere materie neemt natuurlijk niet toe of af door het bolletje dat passeert, wel de richting van waarneming en de waarneembaarheid van de onderlinge krachtuitoefening.

Donkere materie en straling moeten dus wel een rechtstreeks verband met elkaar houden.
Overigens kan er wel sprake zijn van iets wisselende omstandigheden tijdens de omloop door invloeden van andere objecten die van hoek, dus invloed op het spel veranderen.

Uiteraard straalt het rondstralende object uit in alle richtingen en zendt het overgrote deel van de straling uit in het universum zonder een object te raken. Zou er nou willekeurig in deze loze zendingen van straling een denkbeeldig object bevinden dan ondervindt dat natuurlijk een precies eender effect als het stoffelijke, niet denkbeeldige, object.


Gedachte-experiment

Aantrekkingskracht manifesteert zich tussen objecten via straling.

Stel nu dat dit zo is zou er dan bijvoorbeeld als een aanstralend object in tweede graad een ander (meetbaar) effect op elkaar hebben. Ik denk bijvoorbeeld een maan die op een planeet schijnt vanuit diverse hoeken aangestraald vanuit de moederster.
Vanuit mijn stelling zou er een verschil in uitwerking van aanstraling van de maan op de planeet merkbaar moeten zijn. Immers vol schijnen (met bovengenoemd afnemend effect naar de buitenkant) moet een heftigere uitwerking hebben op de planeet of omgekeerd op de maan als bij een geringe invalshoek van de straling.


En hoe zit het dan met zwaartekrachtgolven?

Zwaartekrachtgolven veroorzaken rimpelingen in de ruimtetijd. Men doet hier op zeer uitgebreide schaal onderzoek naar. Naar mijn stellige overtuiging veroorzaakt bijvoorbeeld de straling van de Maan op de Aarde ook een zwaartekrachtgolf, er is wel degelijk sprake van een rimpeling in de ruimtetijd.

Toe- of afnemen van massa en straling veroorzaakt een verandering van (ruimte-)tijd.
In straling zelf staat de tijd stil. Dit komt omdat de straling in zijn samenstelling uit losse elementaire deeltjes bestaat die op zich – in beginsel – niet kunnen vervallen en daardoor eeuwig bestaan.


Als het niet de straling is, verandert dan de hoeveelheid donkere materie die de Maan in haar baan houdt ten opzichte van de Aarde?

Dit is natuurlijk hoogst onwaarschijnlijk. Aan de andere kant gezien, kan het effect dat wij zien een baanverandering van de objecten die wij hier beschouwen teweegbrengen? Mijn antwoord is ja. Als er een bult gecreëerd wordt in beide objecten door het effect dan moeten zij wel naar elkaar toegetrokken worden. Iets anders kan ik er niet van maken.


Een tweede gedachte, wat dichter bij huis.

Een voetbalspeler spring op en kopt een bal weg. Hier op Aarde wordt hij na korte tijd al direct teruggetrokken naar het oppervlak, (eigenlijk verder maar dat kan niet omdat hij door de grond wordt tegengehouden).

Springt hij van een ruimtestation af dan verdwijnt hij in de ruimte. Hij blijft natuurlijk dezelfde massa vertegenwoordigen als op de Aarde het geval was.

Willekeurig in ons universum van waaruit de voetballer springt veranderen dus de effecten, tenzij er sprake is van precies dezelfde omstandigheden want dan blijven de effecten gelijk natuurlijk.  

Stel dat dezelfde snelheid van afzet van de voetballer omgezet wordt in een baan rondom het object waarvan hij zich heeft afgezet zal deze baan om stabiel te zijn steeds zich op een andere hoogte afpelen ten opzichte van het object waarvan hij zich heeft afgezet.

Is dit dan toe te schrijven aan donkere materie, aantrekkingskracht of een ander effect? Of een combinatie hiervan?


Zwarte gaten

Het is natuurlijk ook een feit dat hoe meer massa het object heeft waarom heen een baan wordt beschreven een groter effect heeft op het eromheen draaiende object op dezelfde afstand gemeten. Is er dan ineens meer donkere materie? Nee, wel meer straling. Meest plastische beeld zie ik rondom zwarte gaten. Daar is een overmacht aan straling aanwezig en die wordt ook nog eens binnen de spiegel (waarnemingshorizon) van het zwarte gat in het zwarte gat ingezogen.

Algemeen kun je ook zeggen dat massatoename van een object leidt tot het invangen van baanafhankelijke objecten. Bij uitwisseling van massa een bestendiging van de baan. Bij massa afname van de zendende bron zonder dat het invangende object in massa toeneemt leidt dit tot baanverwijdering of ontsnapping uit de baan.


Wordt de eventueel aanwezige donkere materie hier dan niet ingezogen?
Of speelt het geen rol meer want de sterren en alles verdwijnen wel in het zwarte gat. Ook weer onaannemelijk dat de donkere materie achterblijft rondom het zwarte gat. In ieder geval zou het geconcentreerd moeten - als het al aanwezig was - zijn, anders konden de sterren en objecten niet in het zwarte gat verdwijnen. Dus dan zou er rondom zwarte gaten een enorme hoeveelheid donkere materie opgehoopt zijn.
Hieruit volgt dat effect van donkere materie in ons universum op de objecten zich progressief zou moeten manifesteren, al naar gelang van de dichtheid van diezelfde donkere materie rondom objecten. Dat is ook wat wij waarnemen.
Donkere materie vertegenwoordigt (slechts) een fictieve factor van ongeveer 5 te opzichte van de aanwezige- en zichtbare hoeveelheid materie tussen de objecten om de kracht te kunnen verklaren die objecten in hun baan houdt. Dit is niet extravagant veel als je de hoeveelheden straling die aanwezig is in ons universum inbeeld in je gedachte als plaatsvervanger voor deze donkere materie.    
Als het niet de straling is die het samenbindende element vormt in het in een baan houden van objecten dan hoopt zich om het zwarte gat een enorme hoeveelheid donkere materie en straling op.
Of de hoeveelheid donkere materie zou constant moeten blijven maar dat kan ook niet want dan zou het moeten achterblijven als een ster en de bijbehorende straling het zwarte gat is ingezogen. Dat zou dan weer betekenen dat donkere materie een constante factor in ons universum zou moeten zijn. Dat zien wij ook weer niet gebeuren.
Dus, of donkere materie verdwijnt mee het zwarte gat in of niet. Meer mogelijkheden zijn er niet. En dan werpt het ook de vraag op of als het al in het zwarte gat ingezogen wordt of dit sneller, langzamer of even snel gebeurt als de materie en de straling die er ook duidelijk en waarneembaar ingezogen wordt.
De donkere materie moet dus welhaast mee het zwarte gat ingaan. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat het op kosmisch niveau zijn rol heeft gespeeld in het in baan houden van objecten - ook naar het zwarte gat toe - en dan ineens, op enig moment, niet meer. Want waar zou dat dan moeten gebeuren? Op de “spiegel” van het zwarte gat? Ik kan hier geen enkel natuurkundig argument voor bedenken.  


Hoe zit dat dan met kometen die een enorme ellipsvormige baan volgen?

Natuurlijk geheel volgens dezelfde natuurwetten als alle andere banen van hemellichamen. De langgerektheid doet zich alleen voor traploos en naadloos gerelateerd aan de hoeveelheid straling die ter plekke aanwezig is op dat moment waar het zich bevindt. Veel straling (canvas) baan dichterbij en snelheid toenemend. Bij afstand nemen tot de ster bijvoorbeeld traploos langzamer en ruimere baan.


Zijn er meer dan een “spiegels” (waarnemingshorizonnen) rondom een zwart gat?

Lijkt mij niet echt logisch dat er zich rondom een gat meer dan een spiegel (een voor materie, een voor straling en een voor donkere materie) bevinden.

Ik kan mij niet voorstellen dat er tussen fotonen, bijvoorbeeld in een bundel straling, ook nog eens donkere materie bevindt. Als het wel zo zou zijn dan is mijn hele stelling onhoudbaar natuurlijk. 

Als het wel zo zou zijn dan dringt straling altijd door donkere materie heen en dat is dan heel vreemd. Heeft donkere materie dan wel of geen massa? Hoe kan straling dan een zwart gat ingezogen worden? Of bestaat het dan helemaal niet? Hoe kan het dan dat het effecten zoals die van zwaartekrachtlenzen, waarbij straling met (nagenoeg) de lichtsnelheid doorheen raast ontstaan? Als straling zich nergens door laat beïnvloeden dan moet hun baan altijd recht zijn en dat is niet zo.

Het is niet zo dat donkere materie de materie beïnvloedt en straling niet wordt beïnvloed door de donkere materie. Dit met in het achterhoofd dat straling wel beïnvloed wordt door materie van objecten, want dat is wat wij zien. Dit heeft een op zijn minst een hele rare kring beïnvloeding en roept natuurlijk vragen op hoe het dan komt dat donkere materie straling niet beïnvloedt. Dat lijkt dan heel onwaarschijnlijk.

Als het niet de straling zelf is dan heeft donkere materie dus massa. Maar dat kan ook niet. Door de afbuiging die de donkere materie zou veroorzaken bij – weer – bijvoorbeeld zwaartekrachtlenzen dan zou bij heel oud licht (dat gaat dan het minst moeilijk om te onderzoeken) dat op ons afkomt te zien moeten zijn dat de snelheid van dit licht is afgenomen. Immers dan geldt een effect van aantrekking in de breedte ook voor de lengterichting van de bundel.   


Verdere overwegingen

Straling tussen de objecten in samenhang met het effect van de aanwezige straling tussen de atomen (als een soort ankers - zie ook verder in dit stuk -)  in objecten vormt de samenhang - het driedimensionale canvas dat ook nog eens constant van samenstelling en uitwerking wisselt in de tijd - waarin objecten fysiek aan elkaar (kunnen) trekken.

Om dit effect nog duidelijker te zien voor mijzelf gebruik ik beelden van onze Melkweg gezien vanuit een heel donkere plaats. De aanblik van alle sterren in hun hoeveelheden is overweldigend. daartussen moet zich ook een massa aan andere objecten, gas en stof ophouden. De straling moet immens zijn. Het is dus letterlijk een enorm "getrek" aan elkaar. 

Hetzelfde gebeurt natuurlijk ook op nog veel grotere schaal tussen sterrenstelsels waardoor deze zich gaan verbinden in de sponsachtige structuur van ons universum. 

Laatst (in november 2018) las ik een zin op internet waarin gesproken werd over stormen van donkere materie tussen sterrenhopen. Ik stel mij zo ook voor dat er ook een "storm" van straling heerst. Waar straling heerst ook "donkere materie" en ze houden een zeer sterk verband met elkaar. Dat is wel duidelijk.

Zoals ik hiervoor al heb opgemerkt en even uit mijn hoofd gezegd zou er volgens de wetenschappelijke aannames ongeveer 5 keer meer materie moeten zijn tussen de objecten in ons universum om de planeten, sterren en objecten in hun baan te houden.

Nergens wordt er in de literatuur rekening gehouden met het ontbrekende effect toe te schrijven aan de heersende straling terwijl die in mijn denken een factor van formaat moet vervullen.

Persoonlijk vind ik het ook logischer om de effecten toe te schrijven aan de straling. Het bestaan van donkere materie is in mijn ogen nog steeds slechts een aanname. 

Natuurlijk beweegt straling zich voort vanuit de bron hiervan. Dit neemt echter niet weg dat straling zich in de breedte van de straal (dus wel de bundels van straling, straling verspreidt zich in alle richtingen vanuit de bron) kan laten vervormen. Daartegenover kan het zich in de lengterichting niet voortbewegen met een snelheid groter dan die van het licht. Zowel in de lengterichting van de stralingsbundel als wel die van de enkelvoudige golf is het niet mogelijk om uit te rekken.

Een losse enkelvoudige stralingsgolf heeft wel spectrumwijd genomen een variabele breedte. Die variabele breedte uit zich in een verschil in frequentie. Hoe smaller de golf, hoe hoger de frequentie.

Bundels van straling gaan zich vormen of uit gerichtheid, of door invloeden van objecten waarlangs de straling zich begeeft.

De kriskras door elkaar heen bewegende bundels van straling trekken elkaar dus ook duidelijk aan.


Rood- en blauwverschuivingen

Rood- en blauwverschuivingen veranderen niets aan het effect van het al dan niet kunnen uitrekken van de straling. Je hebt hier slechts te maken met twee objecten die bewegen ten opzichte van elkaar. Niet het uitrekken van straling.


Hoe te zien in echt lege ruimte bij totale afwezigheid van straling?

In dit hypothetische geval ontbreken zowel de straling (niet de deeltjesstraling) op atomair als die op kosmisch niveau. Ik bekijk het dus in mijn fantasie vanuit een perspectief - nog buiten invloeden van de sponsachtige structuur - bij totaal ontbreken daarvan. De bovengenoemde en hierna in dit stuk te noemen "ankers" in de atomen zijn afwezig en ook de straling op kosmisch niveau. In zo'n geval wordt het object door geen ander object beïnvloed natuurlijk terwijl de atomen van waaruit het object is opgebouwd vanzelfsprekend gewoon als atoom blijven gedragen. Er is alleen sprake van afwezigheid in aantrekkingskracht tussen objecten. Ook heerst er geen "zwaartekracht" in of op het object. "Donkere materie", als dat al bestaat, speelt ook geen rol want waardoor moet het in een invloed of een baan - die dus ook ontbreekt - gehouden worden. In dit geval zou donkere materie ook latent aanwezig kunnen zijn. Dit is natuurlijk ook heel erg onwaarschijnlijk.


Verval van de kernen - de zwakke kernkracht

Ook in totale afwezigheid van straling - als dat al zou kunnen - in ons universum hebben wij natuurlijk nog te maken met verval van kernen - de zwakke kernkracht - en hun straling hieruit. Dit verval in puntdeeltjes zorgt er in ieder geval ook voor dat er geen sprake meer kan zijn van een perfect vacuüm zodat ook straling die hierdoor heen gaat zich in mijn opinie niet met de lichtsnelheid kan voortbewegen.

Zoals ik al later onder het kopje zwaartekrachtlenzen (waarin straling zich ook meer of minder als bundels gaat gedragen) constateer moet straling zich in de ruimte wel als materie gedragen. 

In de natuurkunde wordt overigens geen fundamenteel onderscheid gemaakt tussen deeltjesstraling en straling via golven.

De deeltjesstraling doet dus volop mee in het spel van de aantrekking tussen objecten, of het nu in de gedaante van materie of straling is, dat maakt in de context van dit stuk geen verschil.


De "missing link"

Met de straling hebben wij dus te maken met een alom vertegenwoordigde en constant aanwezige factor. 


Copyright Fred Baumgart