Vertalen

Posts tonen met het label donkere materie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label donkere materie. Alle posts tonen

donderdag 20 augustus 2020

Donkere materie, fotonen, straling en zwaartekracht - HOOFDSTUK 6 – Wetenschappers kort uitgelicht met toelichting in context van mijn theorie

 

 Wetenschappers kort uitgelicht met toelichting in context van mijn theorie

 

James Clerk Maxwell (13-06-1831 – 05-11-1879)

In de eerste instantie stelde Maxwell twintig vergelijkingen met variabelen op die nog altijd het uitgangspunt zijn voor de klassieke elektrodynamica. Wiskundig is uit deze vergelijkingen af te leiden dat bewegende ladingen elektromagnetische golven uitzenden met de snelheid van het licht (door de ruimte). Op basis van zijn vergelijkingen kon hij theoretisch de lichtsnelheid berekenen. Vanuit zijn stellingen opperde hij dat licht een elektromagnetisch golfverschijnsel is. Ongetwijfeld is dit juist. Vanuit mijn theorie concludeer ik dat elektromagnetische straling, ook die in golven, altijd bestaat uit materie. In mijn theorie speelt de dualiteit van de deeltjes in onze 4-dimensionale werkelijkheid niet mee.

Maxwell heeft natuurlijk veel meer betekend, maar waarom ik het benoem is omdat ik de verbeeldingskracht zo sprekend vind.


Oliver Heaviside (18-05-1850 – 03-02-1925)

Met behulp van vectornotatie lukte het Heaviside in 1889 om met behulp van vectoranalyse de twintig basisvergelijkingen van Maxwell te vereenvoudigen tot 4 vergelijkingen.


Michael Faraday (22-07-1791 – 25-08-1867)

Faraday constateerde dat als er een magneetveld optrad er een stroom ontstond. Bij wijzigingen in de kracht van het magneetveld nam de elektrische stroom ook toe en af. Dit toonde hij aan door een stroomdraad tussen de polen van een hoefijzermagneet aan te brengen. De op elkaar inwerkende elektrische- en magnetische krachten deden de draad ronddraaien. Dit inwerken, resulterend in het ronddraaien van de draad vormt het basisprincipe van de elektromotor.

Ook uiterst interessant vind ik binnen de context van mijn stuk de “Kooi van Faraday”. Hoewel er altijd wel diktes zijn te bedenken die elke vorm van elektromagnetische straling tegenhouden geeft hij hier een praktische toepassing in het wegfilteren van bepaalde elektromagnetische straling. Dit afhankelijk van bijvoorbeeld de afstand van de mazen onderling van de kooi. De trilling in het ruimtelijke effect van de individuele deeltjes van de golf (tezamen met de samenstelling van de kooi) is kennelijk bepalend of die straling wordt tegengehouden.

In mij theorie merk ik op dat ieder deeltje zijn eigen domeintje inneemt in het spel van het elektromagnetisme. De eigenschappen van een foton (altijd materie) dus ook. Een hoge frequentie (draaisnelheid) geeft een klein domein in ruimtelijke dimensie gezien. Een lage frequentie geeft het omgekeerde ruimtelijke effect. Mede zo visualiseer ik de werking van deeltjes (maar ook atomen; moleculen etc.).      


Heinrich Hertz (22-02-1857 – 01-01-1894)

De golflengte is omgekeerd evenredig met de frequentie: het product van golflengte (in meters) en frequentie (in MHz) is ongeveer 300 de snelheid van het licht, (299.792.458 kilometer per seconde).

De snelheid per seconde is natuurlijk afhankelijk van waar wij ons in de ruimtetijd bevinden. Alles natuurlijk exact volgend naar de wetten van de algemene relativiteitstheorie van Einstein. 

Elders in mijn theorie heb ik opgemerkt dat lichtdeeltjes een medium verlaten in golven van deeltjes. (Het medium heeft de eigenschap om de deeltjes zo lang mogelijk te binden).

Eenmaal vrij geven deze lichtdeeltjes, als deeltjes met de minste massa uit ons universum, op de lange afstand het magnetisme door (1/r^2). Weliswaar zeer zwak door hun grootte maar door hun massaliteit een factor die niet overgeslagen mag worden. In ons universum vertegenwoordigen zij in hun kracht en werking het grootste deel van dat fenomeen dat wij donkere materie noemen. De golven deeltjes worden in meer of mindere mate afgebogen door andere (klonters) materie zoals sterrenstelsels, gaswolken etc. Komen zij in de buurt van een zwart gat dan kunnen de lichtdeeltjes ingevangen worden en hier in beginsel niet meer uit ontsnappen.

Ook elders heb ik opgemerkt dat de fotonen onder invloed van het vacuüm type 3 (veroorzaakt door de 1e hoofddimensie –zoals ik dat noem in mijn theorie-) naar de buitenzijde van ons universum toe bewegen. Dit verschijnsel kennen wij als donkere energie. Door hun lichtheid hebben de fotonen de grootste mogelijke snelheid binnen ons universum (ca 299.792.458 km per seconde). Alle overige materie heeft dezelfde eigenschappen maar door hun massa zijn de snelheidswerkingen in ons universum anders (lager).

Het is fascinerend te zien dat de frequentie niet van invloed is op de snelheid. Die blijft voor alle straling (niet de overige deeltjesstraling) gelijk. Fotonen in welke frequentie dan ook hebben dus blijkbaar allemaal dezelfde massa. Dit is na te gaan door verschillende straling naar snelheden te meten. Bij mijn weten is dit nog nooit gemeten (noch serieus onderzoek naar gedaan). Overigens zou het voor mijn theorie geen verschil uitmaken als er minuscule snelheidsverschillen zouden zijn tussen fotonen onderling. Wij praten dan over uiterst geringe verschillen in massa. 

Overigens denk ik ook wel eens dat elementaire deeltjes qua soort dus niet allemaal precies dezelfde afmetingen hoeven te hebben. Daarmee bedoel ik dat je de elementaire deeltjes ook op een lange schaal kunt leggen bijvoorbeeld van 1 tot 20. De deeltjes van plek 1 tot 2 op de schaal zijn bijvoorbeeld fotonen en 3 tot 4 (en alles wat er qua afmeting tussen valt) zijn bijvoorbeeld elektronen enz.


Albert Einstein (14-03-1879 – 18-04-1955)

In mijn ogen nog steeds de grootste wetenschapper.

De speciale relativiteitstheorie (1905) en de algemene relativiteitstheorie (1916) spelen in mijn theorie  grote rollen. Ik verwijs vele malen naar deze theorieën en haal ze aan om mijn stellingen te verduidelijken en te ondersteunen.  


Theodor Kaluza (09-11-1885 – 19-09-1954)

In 1919 is het Theodor Kaluza gelukt om Maxwells theorie van het elektromagnetisme samen met de theorie van de zwaartekracht van Einstein te verenigen tot een theorie. Deze theorieën kon hij verenigen tot een allesomvattende theorie door het invoeren (boven op de bekende 4 dimensies) van een 5e dimensie.

Hij zag het verband in ieder geval.


Oskar Klein (15-09-1894 – 05-02-1977)

De 5e dimensie van Kaluza had wel een probleem omdat deze onzichtbaar was. De wiskundige Klein verklaarde later deze 5e dimensie door aan te nemen dat deze was “opgerold” tot zeer kleine omvang.


Kaluza-Klein theorie

Het samenvoegen van de theorieën van Theodor Kaluza en die van Oskar Klein leidde tot de Kaluza-Klein theorie, een allesomvattende theorie.

Einstein zag veel in de theorie van Kaluza en hechtte veel waarde aan diens ideeën. Bij de opkomst van de kwantumdynamica werd echter het toevoegen van een 5e dimensie gezien als een wiskundige toevoeging, een truc, die geen fysische betekenis zou hebben. Het schijnt dat door de opkomst van de stringtheorie de Kaluza-Klein theorie weer sterk in de belangstelling is komen te staan. De stringtheorie bedient zich ook van meerdere dimensies omdat men zonder deze voorstelling geen theorie kan vormen die alle vier de natuurkrachten verbindt. 


Mijn visie op Kaluza-Klein

Ik denk dat Kaluza gelijk had als deze in een richting zocht die de elektromagnetische kracht en de zwaartekracht verbond. De reikwijdte 1/r^2 is gelijk. Als daar consensus over bestaat dan schaar ik mij hierachter. Ik ben het echter niet eens met de toevoeging van Klein om een extra 5e dimensie toe te voegen. Aan de 4 dimensies die wij nu kennen hebben daar hebben wij naar mijn inzicht voldoende aan. Dit houdt ook in dat ik denk dat nog meer dimensies (tot wel 11), benodigd voor de snaartheorie naar mijn mening ook overbodig zijn.


Wat denk ik dan?

Bij het zoeken van de meest logische verklaring hanteer ik weer het scheermes van Ockham en zoek de meest voor de hand liggende verklaring met de minste aannames en de minste entiteiten.

Ik vermoed dat zwaartekracht als een op zich bestaande kracht helemaal niet bestaat. Het effect van de zwaartekracht moet gezocht worden in de elektromagnetische kracht. Het elektrische veld en het magnetische veld staan loodrecht op elkaar. Magnetische monopolen bestaan niet, of zijn althans nog nooit aangetoond.

De magnetische veldwerking is op alle schaal in het elektromagnetisme aanwezig.


Een constatering

Zowel de sterke kernkracht als de zwakke kernkracht gehoorzamen aan de wetten van het elektromagnetisme. In beginsel komt het allemaal neer op de gedragingen van deeltjes in hun meest basale vorm (massa, spin en lading).  


IJkbosonen

Ik filosofeer even verder:

In de natuurkunde is er binnen  de heersende opvattingen sprake van 4 krachtvoerende deeltjes:

1.     Voor de sterke kracht de gluonen (pionen);

2.     Voor de elektromagnetische kracht de fotonen;

3.     Voor de zwakke kernkracht W bosonen en Z-bosonen en de hypothetische X- en Y-bosonen;

4.     Voor de zwaartekracht de hypothetische gravitonen.

Als ik het goed begrepen heb schijnt er onderzoek geweest te zijn naar de relatie tussen de zwaartekracht en de elektromagnetische kracht (Kaluza-Klein) en – recenter - de elektromagnetische kracht in perspectief van de zwakke kernkracht, (de elektrozwakke wisselwerking). En dus of deze beide krachten (middels wiskunde en theorieën) te verenigen zouden zijn.

Deze Kaluza-Klein theorie is in hernieuwde belangstelling komen te staan maar dan meer in het perspectief van de snaartheorie. In ieder geval heeft men verdere richting gezocht in het toevoegen van meer dimensies (5e Kaluza-Klein 1921 en 11 in de snaartheorie 1970). De elektrozwakke wisselwerking kan op bredere consensus rekenen.

Met uitzondering van de sterke kernkracht is men wat betreft de andere drie krachten sterk van mening dat er een relatie moet bestaan en wellicht dat deze krachten in wezen een en dezelfde natuurkracht vertegenwoordigen.

In de vele jaren onderzoek is men nog niet verder gekomen. De knapste koppen zijn er niet uitgekomen (nog). Door de vele interactie tussen deeltjes is het geheel zeer moeilijk in een passend wiskundig model te gieten.

Verreweg de meeste – zo niet alle - deeltjes tot op het elementairste niveau toe hebben een spin en dus een magnetisch- en een elektrisch moment.

Alleen deeltjes met een massa zouden dus theoretisch stil kunnen staan, ergo dan kunnen zij ook niet de lichtsnelheid volgens de wet van Hertz halen want zij hebben geen frequentie (en ook geen elektrisch of magnetisch moment).

Elk deeltje vervult in ons universum zijn functie in zijn eigen “domeintje”, deze domeintjes liggen allemaal tegen elkaar aan in het vacuüm van ons universum zodat ieder vakje is opgevuld en er geen sprake meer is van een (perfect) vacuüm (In de ruimte, hoewel sterk verdund, dus ook niet). Dit gaat door tot het niveau van de, bij wijze van spreken, aller-elementairste deeltjes.

Ik denk niet dat op het niveau van het allerkleinste er zich een keur van verschillende samenstellingen van die deeltjes zal voordoen. (De ene zal niet samengesteld zijn uit beton en de andere uit watten als voorbeeld.)

Ik denk dat er geen 5e dimensie (of nog meer) benodigd zijn. Slechts de elektronenschil rond de kern en de residuele werking van de sterke kernkracht die de concentratie van de dragers van de elektromagnetische kracht, de fotonen, mogelijk maakt om de zwaartekracht - en daarmee het samengaan van deze twee krachten (de elektromagnetische en de zwaartekracht) tot uiting te laten komen. Het traploze aantrekkings-effect vanuit de atomen wordt tot in de verste uithoeken van ons universum doorgegeven door de elektromagnetische straling.

Fotonen vertegenwoordigen, zoals ik eerder heb geconstateerd, altijd massa. Deze fotonen trekken elkaar aan in plus-min formatie in strengen. Zij bewegen zich voort met de lichtsnelheid naar de buitenrand van het universum. Deze strengen, gebundeld tot golven bestaan niet uit energie (pure E, linkerkant formule speciale relativiteitstheorie van Einstein) want daarvoor is hun snelheid bij lange na niet toereikend. (Geen c2 maar slechts iets onder de wortel hiervan c)        

De (4 dimensionale) algemene relativiteitstheorie van Einstein is hierop schitterend van toepassing. 

Dus niet de aanname van de, tot zeer kleine omvang opgerolde, 5e dimensie maar de werking van de residuele werking van de sterke kernkracht samen met de fotonenwolken rond de elektronenschillen om de kern, vertegenwoordigd door de ter plaatste aanwezige massa is voldoende om de veronderstelde – niet op zichzelf aanwezige en ook niet als op zichzelf staande kracht benodigde - zwaartekracht en de elektromagnetische kracht overal in ons universum te verenigen. 

Fotonen gaan interactie aan met elektronen, die op hun beurt weer de interactie ondervinden met de protonen in de kern. De los bevindende fotonen in onze atomaire ruimte hebben in hun ongebonden staat aan een elektron ook hun interactie met elkaar en ondervinden invloed van de kern. Daarnaast gaat straling overal vanuit ons universum ook door de ruimtes van de atomen heen in hun golfpatroon en heeft daar ook zijn interactie.

Het kan natuurlijk niet zo zijn dat als een grote hoeveelheid fotonen zich gaan richten in golven door het een of andere evenement dat er aan die fotonen ineens een elektrische en een magnetische component toegevoegd wordt. Deze componenten zijn altijd in een foton aanwezig.

En al zouden fotonen overgaan in energie, dan zou je mogen aannemen dat dan ineens de zowel de elektrische en de magnetische component als wel de massa over zouden gaan in de energie. Om daarna bij een ander evenement weer terug te keren in de eerdere vorm van een gedraging als deeltje. Dit is hoogst onwaarschijnlijk.  

De magnetische invloed wordt overgebracht door de (cumulatieve) residuele werking van de sterke kernkracht. Hier is slechts een minieme invloed nodig. Het Yukawa potentiaal 1/r^7 geeft hierin helderheid. Het residuele restje aan het eind van de sterke kernkracht is voldoende om de magnetische velden in de elektromagnetische straling te beïnvloeden en dus om het verschijnsel van de zwaartekracht te genereren. Alle fotonen, of zij in een golf bevinden of los hebben in beginsel dezelfde invloed op elkaar. 


Hideki Yukawa (23-01-1907 – 08-09-1981)

In 1935 publiceerde Yukawa zijn artikel dat de massa kon inschatten van dat deeltje dat de sterke kernkracht veroorzaakt. In 1947 werd het deeltje – het pion – experimenteel aangetoond door Cecil Powell.


Georges Henri Joseph Edouard Lemaître (17-07-1894 - 20-06-1966)

Leverde zeer belangrijke bijdragen aan de algemene relativiteitstheorie. Tevens de hypothese van een uitdijend heelal (1927) en de grondlegger van de oerknaltheorie.

Ten aanzien van de oerknaltheorie wil ik opmerken dat Einstein deze theorie omarmde bij gebrek aan een betere stelling. Met name de problematiek van oneindige druk en oneindige temperatuur kon hij niet beredeneren. Mijn theorie behelst een oerontlading in plaats van een oerknal. In ieder geval spelen hier de begrippen oneindige druk en oneindige temperatuur niet.


Edwin Powell Hubble (20-11-1889 - 28-09-1953)

In belangrijkste perspectief tot mijn theorie merk ik op dat Hubble het verband van de roodverschuiving van diverse sterrennevels tot de Aarde doorzag. Aan de hand van dit gegeven legden anderen het verband met een uitdijend heelal (in mijn begrippen: ons uitdijend universum).

Albert Einstein hield in zijn voorspellingen rekening met een gelijk- en statisch universum. In zijn berekeningen ging hij van dit gegeven uit en noemde het de “kosmologische constante”. Later benoemde Einstein deze veronderstelling van zichzelf als zijn grootste vergissing.


Fritz Zwicky (14-02-1898 - 08-02-1974)

In 1933 kwam Zwicky tot de conclusie bij het bestuderen van een cluster van om een gemeenschappelijk zwaartepunt bewegende sterrenstelsels dat er zich veel meer massa in het cluster moest bevinden dan de massa berekend aan de hand van de hoeveelheid licht die hij in dat cluster waarnam. De ontbrekende hoeveelheid massa was niet waar te nemen. Omdat deze massa er wel moest zijn noemde hij deze “donkere materie”

Na 1933 zijn er vele verklaringen en veronderstellingen geopperd en ingebracht waar deze ‘donkere materie” uit zou bestaan. Tot op heden is er nog geen verklaring gevonden. Mijn theorie is ook zo’n verklaring, maar dan uit een ander perspectief die ik nog niet ben tegengekomen. Vergeleken met de andere stellingen is die van mij nog niet becommentarieerd of nader onderzocht. 


Zwarte gaten

De effecten die ik beschreven heb kunnen ook toegepast worden op zwarte gaten. Om niet in herhalingen te vervallen verwijs ik ook naar wat ik hierover al heb geschreven.

De doorgifte van de CRSK op de fotonen is zo immens geworden dat de atomen dichter op elkaar getrokken worden. In de ruimte van de atomen die op elkaar gedrukt zijn bevindt zich ook een steeds toenemende concentratie van fotonen. Deze fotonen ondervinden aan het oppervlak van het zwarte gat nog steeds de immense aantrekking. De aantrekkingskracht die het opwekt in dit hele spel is zo groot dat zelfs ander licht (fotonen) – en materie etc. natuurlijk – aangetrokken wordt. Deze aantrekking gaat door tot de waarnemingshorizon van het zwarte gat.

Bij sommige zwarte gaten, waar de druk en omstandigheden daartoe geschikt zijn ontstaan stralen van uitgestoten straling aan de polen. De zogenaamde “flashes”.


Flashes

Naar mijn mening ontstaan flashes door verschillen in de dikte van de soep van straling om het zwarte gat. Als door bijvoorbeeld magnetisme een onbalans in zwaarte van de gecompresseerde massa’s van straling ontstaat zal deze zich vanaf het middelpunt, waar deze soep het dikste is het hardst willen imploderen. Echter in het zwarte gat zelf is hier geen ruimte meer voor en het stort in. Zie de vorm van de omgeving van het stralingsomhulsel als een denkbeeldige basketbal die om de materie van het zwarte gat heen ligt.

Gevolg is dat de straling onder gigantische druk een uitgang zoekt aan de polen van het zwarte gat, waar de schil het dunste is en met een gigantische kracht- en intensiteit aan beide zijden het universum wordt ingeblazen. Vergelijk het met een citroen die je fijnknijpt in je hand waarbij de inhoud van boven en onderen er uit spuit. Bij flashes is het echter geen materie die vrijkomt maar straling (eventueel vervuild met wat materie die nog niet opgenomen is kunnen worden in de val naar het zwarte gat).


Hoe verhoudt het bovenstaande zich met “donkere materie”

Het ligt eigenlijk heel simpel. De donkere materie in de hoedanigheid waarvan wij naar opzoek zijn bestaat niet. Het bovengenoemde effect in de elektromagnetische straling is precies voldoende om alle objecten van ons universum in hun baan te houden.


Unificatie

Ik zie dat mijn zienswijzen een vereniging inhoudt van de fundamentele natuurkrachten tot een theorie die zowel op kwantum- als op kosmisch niveau in elkaar past. Alle andere – veel ingewikkeldere – theorieën geven (nog) geen unificatie. Mijn theorie geeft ook een visie op de situatie die tot een oerontlading leidde. (Om het meer visueel te maken voor de lezer: wat er gebeurde voor en op het moment van de oerknal).

Natuurlijk, er zijn talloze andere elementaire deeltjes en processen op kwantumniveau die ook meespelen in vele fysische processen. Het is nog niet helemaal doorgrond hoe deze op elkaar inwerken. Naar mijn mening is het slechts een kwestie van tijd voordat de hele interactie hiervan begrepen wordt, dat kan niet anders. Wat hier tot mijn stellige overtuiging wel uit naar voren gaat komen is dat de werking van gravitatie tot op kosmische schaal aan toe vanuit het atoom zelf komt doorgegeven via het canvas van de elektromagnetische straling) en niet vanuit een hypothetisch begrip als “donkere materie”.

Misschien is mij theorie te eenvoudig. Soms denk ik dat ook wel want ik kan mij niet voorstellen dat alle knappe koppen die met deze materie zich bezig hebben gehouden deze mogelijkheden die ik naar voren breng niet overzien hebben. Ik acht dat bijna onmogelijk. Ik zie evenwel geen aanknopingspunten om te concluderen dat men het in mijn richting gezocht heeft.

Faraday, Maxwell, Herz, Newton, Einstein en nog vele andere giganten hebben hun prachtige onderzoekswerk verricht waarvan wij allen gebruik van mogen maken. Ik zie dit als een voorrecht. Of ik alles juist zie of geïnterpreteerd heb moet natuurlijk nog blijken. Er bestaat altijd een mogelijkheid dat ik er volledig naast zit. Maar dit is natuurlijk ook met alle andere stellingen die nog niet bewezen zijn het geval. Dus ik zal mijn schroom moeten overwinnen.

Elektromagnetisme als pure vorm van energie, dus niet als materie te zien, zou een ander licht op mijn stellingen kunnen werpen. Het hoeft echter niet. In mijn hoofdstukken ga ik hier verder op in. Ik  doe dit in het perspectief van de speciale relativiteitstheorie van Einstein, die mijn gedachtegang hierover ondersteunt.


Verifiëren en falsificeren

Van alle theorieën die ik ken en zie valt die van mij het eenvoudigst te toetsen denk ik.  Onderzoekmogelijkheden, anders dan mijn fantasie, heb ik helaas niet.

Ik zou dolgraag willen onderzoeken wat zich in de ruimte rond het atoom afspeelt waar het geheel van het manifesteren van de “zwaartekracht” begint. Is het de cumulatieve residuele sterke kernkracht (CRSK) of iets anders (want het is mij wel duidelijk dat het hele spel dat zich over kosmisch niveau uitstrekt daar, in dat gebied, begint.)

En ook: heeft de magnetische golf in de elektromagnetische straling die betekenis die ik er aan toedicht? Zo nee, hoe komen verschijnselen als bijvoorbeeld zwaartekrachtlenzen dan tot stand?


Kat van Schrödinger en onzekerheidsprincipe van Heisenberg

Het kat van Schrödinger en het onzekerheidsprincipe van Heisenberg zijn beiden heel bekend in het omschrijven van het dualisme van gedragingen van materie als deeltje en als golven.

De “kat van Schrödinger” oogst veel kritiek.

Het onzekerheidsprincipe van Heisenberg omvat dezelfde materie en wordt wat steviger omarmd.

Het gaat er bij beiden om een universeel verschijnsel te beschrijven: het is onmogelijk om van een deeltje precies te duiden waar hij op een bepaald moment is en waar hij heengaat. Dit verschijnsel zou zich op allerlei schaal voordoen maar op kwantumniveau is dit het meeste zichtbaar. De structuur van een golf is immers geen perfecte sinus en er zijn zoveel variabelen die inwerken op de golf dat het niet te voorspellen is hoe de golf zich zal ontwikkelen. Dus het deeltje wat zich er in bevindt ook niet. In ieder geval blijft de structuur van waaruit de golf is opgebouwd uit die van deeltjes. Aan de andere kant vind ik dat als wij als mensen die ontbrekende variabelen niet kennen die uiteindelijk de structuur en de plaats van een deeltje in de golf bepalen dat die variabelen er niet zijn. Die zijn er natuurlijk wel alleen wij (her)kennen ze (nog) niet. Kunstmatige intelligentie (straks met behulp van de rekenkracht van kwantumcomputers) heeft al voor verrassende resultaten gezorgd in de wetenschap. Wellicht binnenkort op dit gebied ook.

Ik denk dus ook golven helemaal bestaan uit materie. Ook al zouden wij elektromagnetische golven energie noemen dan nog horen zij thuis aan de materiekant van de formule van de speciale relativiteitstheorie van Einstein.

Ik blijf het overigens een heel raar gegeven vinden dat binnen de huidige inzichten fotonen blijkbaar van de ene kant van de formule E=mc2 naar de andere kant kunnen verhuizen en weer terug etc. Als dit al zou kunnen dan houdt dit in dat in ons universum wij rekening moeten houden met wisselende hoeveelheden en verhoudingen energie versus materie, die elkaar overigens wel steeds in evenwicht moeten houden. Natuurkundig lijkt mij dit niet te kunnen (in perspectief van mc2).  

Hieronder deel ik mijn visie verder waarom wij naar mijn inzicht geen rekening hoeven te houden met dit dualisme van energie en materie. Ik laat dit punt vooralsnog even voor wat dit is.


Schrödinger en Heisenberg in perspectief van Einstein.


Speciale relativiteitstheorie van Einstein (1905)

De speciale relativiteitstheorie had als bijzonder gevolg dat absoluutheid van tijd en plaats, ook op grote afstanden, niet meer gold.

Deze theorie (E=mc2) is natuurlijk volkomen juist. Alleen voor de uitwerking moeten wij kijken naar de exacte plaats waar dit van toepassing is. Dat is niet in ons universum. Hiervoor moeten wij naar het oerheelal waar ik al heel veel over geschreven heb.

Massa versneld met de factor lichtsnelheid in het kwadraat kan eenvoudigweg niet in ons universum. Straling, bijvoorbeeld zichtbaar licht beweegt zich met een snelheid van bijna 300.000 km per seconde. Dat is onvoorstelbaar veel minder dan diezelfde snelheid maal diezelfde snelheid, ofwel een 9 met 10 nullen per seconde (90 miljard kilometer per seconde). Ik zie geen enkel experiment of omstandigheid in ons universum die materie zo snel laat bewegen om het dus over te laten geen in energie (E).


Algemene relativiteitstheorie (1916)

Anders is het met de algemene relativiteitstheorie die exclusief van toepassing is op onze – en andere – werkelijkheid waarin wij leven. Deze theorie veralgemeniseert zijn speciale relativiteitstheorie en die van Newton. Hier wordt de gravitatie in zijn meetkundige eigenschappen van ruimte en tijd (de ruimtetijd) van de aanwezige (massa-energie en de lineaire impuls) van de aanwezige straling en energie in de formule mede betrokken. Hierdoor konden verschijnselen als krommingen in de ruimtetijd bijvoorbeeld in berekeningen voor toepassingen als GPS worden betrokken.

Dit klopt ook, overal in ons universum verschillen de hoeveelheden straling en materie in dichtheid. Logisch dat er met deze variabelen rekening gehouden moet worden.

Van lichtsnelheid wordt aangenomen dat dit de snelheid is als elektromagnetische straling door een perfect vacuüm heen beweegt. Alleen al het fenomeen van de donkere energie maakt dat er nergens in ons universum sprake kan zijn van een perfect vacuüm. 100% Van de theoretische maximale lichtsnelheid valt dus nooit te behalen. Daarom is de algemene relativiteitstheorie van groot belang om krommingen in de ruimtetijd, tijddilatatie bijvoorbeeld te kunnen berekenen.

Door dit verschil in vacuüm is de snelheid van de straling (en ook de frequentie van atomen, afhankelijk waar en ook in welk object zij zich bevinden) verschillend. Hierdoor treden ruimtetijd verschillen op (Tweelingparadox is hier een mooi voorbeeld van).


Wat wil ik hiermee zeggen?

Hierboven stel ik dat 100 procent van de theoretisch maximaal haalbare lichtsnelheid niet kan voorkomen en toch klopt de algemene relativiteitstheorie van Einstein.

Dit komt omdat datgene wat wij ons voorstellen als energie in ons universum helemaal geen energie is maar materie.

De formule van Hertz zegt wel dat afstand in meters maal de frequentie in MHz altijd ongeveer 300 (hiermee de lichtsnelheid bedoelende) is. Klopt dat dan niet? Ja, dat klopt, deze elektromagnetische straling beweegt zich voort met de lichtsnelheid gecorrigeerd met de samenstelling van de materie en “energie” waar het zich doorheen beweegt. Alleen het deel van de straling dat wij als energie zien is gewoon materie. Deze straling heeft natuurlijk zijn eigenschappen, je kunt er bijvoorbeeld laserstralen mee maken maar het blijft door zijn snelheid (weliswaar die van het licht) de status van materie behouden.

Volgens mij kunnen wij dus datgene wat wij zien als energie gewoon materie noemen. Een golf elektromagnetische straling is niets anders dan een golf fotonen die onderweg willen zijn naar de buitenrand van ons universum. Dat verandert niets aan allerlei natuurkundige wetten die door vele geleerden zijn geformuleerd. Ik zie dat alles wat eenvoudiger te benaderen wordt door mijn zienswijze. Een laserstraal blijft een laserstraal en een kernbom een kernbom.

En hoewel je soms te laat bent of te vroeg, een deeltje of materie kan alweer weg zijn, het is er. Dat wij het niet precies kunnen voorspellen waar het is doet niet ter zake. Wachten is dus op microscopen of experimenten dat wij het kunnen zien gebeuren. Als je eenmaal het deeltje hebt kunnen volgen voor een bepaalde tijd kun je het ook volgen en voorspellen waar het heen gaat.


Waarom worden fotonen die onderhevig zijn aan een magnetisch veld dan niet met de lichtsnelheid weggetrokken van de magneet en blijven zij in hun baan?

Dit komt omdat fotonen overal naar een optimum zoeken. Door de onderlinge aantrekkingskracht van de fotonen blijven zij “verbonden”. Dit komt door de effecten die ik omschreven heb in mijn theorie. Ze zijn wel dynamisch in beweging in het hele spel rond en in de atomen (zie ook de CRSK). Doordat de elektronen in de magneet hun effect uitoefenen komen de fotonen in beroering. Er blijven evenwel per saldo evenveel fotonen in- en rondom de magneet. 


Fotonen altijd met de snelheid van het licht? - vervolg

In de natuurkunde lees ik dat fotonen ook als zij bijvoorbeeld van het ene naar het andere elektron uitgewisseld of vrijgegeven worden dit met de snelheid van het licht gaat. Ik stel mij voor dat het uitgangspunt in de natuurkundige opvattingen was hierbij was dat de fotonen geen rustmassa hadden en zich daardoor met de lichtsnelheid zouden voortplanten. Dat was immers het kenmerk van een deeltje zonder rustmassa want die hadden geen invloed te ondervinden van materie.

In elk geval stel ik mij voor dat rondom zwarte gaten er bij bepaalde omstandigheden zich verschillen in snelheden van fotonen moeten gaan voordoen. Wat gebeurt er bijvoorbeeld bij een superzware ster (net geen zwart gat nog) waar licht uit ontsnapt. Of: op enig moment in de vorming van een zwart gat is de ontsnappingssnelheid van licht even groot als de gravitatie van het zwarte gat zelf. Licht dat onderweg was zal omkeren maar niet nadat het even (of op zijn minst nagenoeg) tot stilstand is gekomen.

Fotonen hoeven dus niet altijd met de lichtsnelheid te bewegen.


Fotonen en elektronen, wie en waar spelen zij de hoofdrol?


Magneet

Hier spelen de fotonen de actiefste rol. Bij een staafmagneet bijvoorbeeld bewegen zij zich in- en extern rondbewogen door de eenduidige bewegingen in de elektronenschillen van de atomen van de magneet. Bij een magnetisch veld rondom een hoogspanningskabel bijvoorbeeld: de elektronen bewegen zich weliswaar niet met hoogste snelheden door de leiding maar hun immense aantallen maken de sterkte. Hieromheen formeert zich dus een magnetisch veld bestaande uit fotonen.

Rondom een hoogspanningskabel zou je dus veranderingen in de zwaartekracht moeten kunnen waarnemen ten opzichte van de omgeving. Dat is een logisch gevolg dat uit mijn stellingen voortkomt.


Elektriciteit

Bijvoorbeeld een windturbine. De generator “vangt” als het ware elektronen uit de lucht en transporteert ze door een kabel waar aan het eind de stroom zijn werk doet en de (resterende) elektronen het geheel weer verlaten als ongebonden elektron. Dit zelfde principe gaat op bij elke toepassing van opwekking en transport van elektronen (“energie”). Accu, hier worden de elektronen tijdelijk opgeslagen tot gebruik nadat zij eerst gevuld zijn met een medium dat de elektronen aanleverde (dynamo – die de vrije elektronen afving en naar de kabel die naar de accu toe gaat geleidde - in dit geval).

Hoe sterker de stroom door de leiding, en hoe meer windingen, des te sterker het magnetische veld. De fotonen willen meereizen en verzamelen zich in immense aantallen (in sterkten Tesla) rondom de leiding. Zij worden in immense aantallen aangetrokken door de elektronen in de spoel en geven dus onderling de gravitatie door.

Zwaartekracht komt dus (mede) voort uit een bindingsproces van elektronen en fotonen, maar dus ook van fotonen onderling. Omdat elektronen geconcentreerd zijn in het atoom – en ook hun specifieke werking binnen het atoom - volgt de zwaartekrachtswerking daaruit. Als dit niet zo zou wezen dan was er logischerwijs ook geen universum mogelijk. Fotonen willen binden aan elektronen maar dat kan slechts in een beperkte mate, afhankelijk van de afstand tot de atoomkern. De sterke kernkracht onderhoudt tevens de afstand tussen de elektronen en de kern zodat zij elkaar niet aanraken.

Er dienen zich bij de vorming van gravitatie (dat naar mijn stellige overtuiging een kwantum-fenomeen is) drie mogelijkheden aan (binnen de context van mijn theorie):

1.     De CRSK waarover ik al veel geschreven heb;

of

2.     De aantrekkingskracht van de elektronen op de fotonen (andere deeltjes spelen natuurlijk ook hun rol mee, maar dit is de hoofdzaak);

of

3.     Een combinatie van beiden.


Welke van de drie mogelijkheden is juist?

De aantrekkingskracht van elektronen en fotonen is duidelijk (optie 2).

Het aantal elektronen deel uitmakend van een atoom is aan een minimum en maximum gebonden. Er kunnen wel meer of minder elektronen aanwezig zijn. Wij noemen dit ionisatie.

Hoe geconcentreerder de massa, hoe sterker de gravitatie.

Bij een lagere baan laat een elektron een foton los en vice versa. Bij toenemende druk zal het niet zo zijn dat elektronen ineens veel meer fotonen gaan aantrekken. De atomen worden wel kleiner qua ruimtelijk volume dat zij innemen bij het toenemen van de druk. De gravitatie gaat omhoog. Het aantal elektronen wordt niet verhoogd, dit leid ik af uit het gegeven dat bij oplopen van de druk geen ionisatie optreedt.

Optie 1 (en 2 en 3 voor een secundair deel) is dus de juiste op het primaire niveau. Elektronen spelen hun spel wel mee in de werking van de gravitatie maar de CRSK is de overheersende krachtfactor in het spel van de gravitatie tot en met op kosmisch niveau. Ook andere deeltjes spelen mee in het dit effect van het optreden van gravitatie (ik heb dit eerder genoemd) maar dit zijn de belangrijkste effecten. IJkboson foton heeft altijd massa.  

Nog een laatste opmerking over het bovenstaande: Op het laatst zitten de atomen zo dicht op elkaar gepakt in zwarte gaten dat er geen frequentie meer mogelijk is. De tijd staat stil… En: hoe vreemd het ook moge klinken… de Vanderwaalskracht die de atomen heel krachtig bij elkaar hield neemt af tot nihil. Elektromagnetisme idem, want er draait niets meer en alles heeft een spin 0 ter plaatste. De enorme gravitatie wordt wel in stand houden maar dat wordt veroorzaakt door hogere schillen rond het gebied van waar frequentie onmogelijk is geworden. Zwarte gaten blijven dus zeer bijzondere fenomenen waar ik graag verder over wil filosoferen.


Zou een zwart gat een start van een nieuw universum kunnen zijn?

Vanuit mijn theorie dus niet. Tenzij ons gehele universum in een gemeenschappelijk zwart gat zou verdwijnen maar dat nemen wij niet waar. Als dat waar zou zijn dan zou dat ook betekenen dat als dat zou gebeuren en alle materie opeengepakt zat tot het absolute minimum - bij een Vanderwaalskracht van 0 - een explosie zou plaatsvinden waarbij de aanwezige materie zich als het ware opblaast tot een nieuw universum met een nieuwe 4-dimensionale werkelijkheid. Dit lijkt mij onwaarschijnlijk. Ook vanuit het perspectief gezien van de mogelijke – zeer aannemelijke - aanwezigheid van een multiversum.

Bovendien, als een zwart gat een start zou zijn van een nieuw universum dan zou dat een klein universumpje betekenen en dat te midden van andere structuren die nog zouden zijn blijven bestaan doordat zij nog niet in dat zwarte gat of een andere waren gezogen. En als een exploderend zwart gat toch de start is van een nieuw (mini-)universum dan zouden de eigenschappen dus hetzelfde moeten luiden als bij- en na de start volgend op de vermeende oerknal van ons universum. Dit zie ik ook niet als reële optie.

 

Copyright Fred Baumgart

zaterdag 28 december 2019

Donkere materie, fotonen, straling en zwaartekracht - HOOFDSTUK 4 - mijn visie op magnetisme



Magnetisme

Ik voeg dit hoofdstuk toe omdat magnetisme een bijzondere plaats inneemt in mijn waarnemingen van hoe onze werkelijkheid is opgebouwd. Ik wil geen diepgaande verhandeling geven over magnetisme op zich want daar is al voldoende onderzoek naar gedaan. Meer wil ik ingaan op magnetisme in de context van mijn theorieën en de parallellen die ik zie in het in elkaar grijpen van de fysische processen. Magnetisme, waarvan de werking zich uitstrekt van kwantum tot kosmische schaal, is een prachtige fysische uitingsvorm - en geeft daarom inzicht - van optreden van sommige natuurkundige processen die zich ook voordoen en aanwezig zijn in andere processen. Bijvoorbeeld bij hoeveelheden atomen in andere materialen dan bijvoorbeeld ijzer waarbij de atomen niet “magnetisch gerangschikt zijn” en waarbij de buitenste elektronenschillen dus niet massaal en eenduidig en gelijkgericht de zelfde kant opdraaien.

Bij magnetisme is sprake van een elektromagnetische golf die zich door- en langs (in tegenovergestelde richting) de magneet of het magnetische veld beweegt. Doordat het een elektromagnetische beweging betreft is hierin zowel de magnetische- als de elektrische component aanwezig.


HOE ONTSTAAN MAGNETISCHE VELDEN?

Magnetisme is een op universele schaal voorkomend verschijnsel. Zonder dit verschijnsel is onze wereld waarin wij leven, onze werkelijkheid, niet mogelijk. Er zijn vele manieren waarop magnetisme optreedt. Voor het beeld in de context van mijn theorieën benadruk en noem ik er enkele om mijn visie duidelijk te kunnen maken.

A. In objecten met verschillende lagen die ten opzichte van elkaar bewegen.

In bijvoorbeeld de Aarde treedt als gevolg van de beweging van de kern ten opzichte van hogere lagen een verschil in snelheid op. Dit veroorzaakt een sterke reorganisatie van fotonen in de atomaire ruimtes van de diverse lagen ten opzichte van elkaar in een bepaalde richting. De fotonen komen massaal in beweging tussen de atomen in een stroom die zich in afgebogen banen gaat bewegen door- en rondom het object heen. Ik stel mij voordat de elektronen pas in beweging komen als er een verbinding ontstaat of bestaat waardoor deze zich kunnen gaan bewegen naar een gebied met een lagere spanning. Bijvoorbeeld ten gevolge van een geleidingsdraad tussen de polen van een hoefijzermagneet. Als er geen verbinding is dan moet er wel alleen sprake zijn van verplaatsing van fotonen.  


B. In gewone magneten.

Hier ontstaat de fotonenstroom doordat de fotonen intern in de atomaire ruimtes van de magneet door de polariteit van de atomen in een bepaalde richting worden geleid. Aan het eind verlaten de fotonen het object. Aan de andere zijde van het object treedt een tekort op dat weer opgevuld wordt door fotonen die de atomaire ruimtes van het object weer ingaan en beweging naar de andere pool. Rondom de magneet zal het fotonenoptimum zich ook weer gaan herstellen. Dit treedt dan op in de vorm van banen waarin het overschot van de ene zijde zich het tekort aan de andere zijde als het ware opvult tot het te bereiken optimum. Dit hiervoor omschreven mechanisme verklaart ook waarom tegenovergestelde polen van magneten elkaar aantrekken en dezelfde polen elkaar afstoten. Dit aantrekken is dus het geval van noord-zuid en zuid-noord tegen elkaar aanhouden. Twee uitzendende polen stoten elkaar af. Twee ontvangende polen trekken elkaar ook niet aan, fotonen verdringen zich bij het aanvullen en het zoeken naar het optimum in hun splitsing naar welke magneet zij gaan. Door de werking van de fotonen treedt in deze laatste twee gevallen (noord op noord en zuid op zuid) een vorm van “anti-zwaartekracht” op. 

Ik voeg dit onderwerp toe omdat magnetisme in ons universum een massaal optredend verschijnsel is. Doordat magnetisme een aantrekkingskracht of afstotingskracht bezit heeft het een verband met donkere materie. Immers, hoe klein of groot de schaal, door veranderingen in het magnetisch veld verandert de aantrekkingskracht tussen objecten. Dus kan er spontaan donkere materie verdwijnen of worden toegevoegd? Dit lijkt ook hoogst onwaarschijnlijk.



D. Op atomair niveau waarin deeltjes actief zijn. Door “spin” (links of rechtsom draaiend) wekken zij een magnetisch veldje op.  

Magnetisme kan door verschillende oorzaken worden opgewekt. Bijvoorbeeld bij het aardmagnetisch veld in de ruimte ordent zich het canvas van straling ook naar de invloed van de magnetische activiteit van de Aarde.

Gerelateerde afbeelding

Magnetisch veld van de Aarde. Afbeelding: nasa.gov

Hier boven heel bijzonder een impressie van het aardmagnetisch veld. Let ook speciaal in de context van mijn theorieën op de verschillen in de vormen van de krachtlijnen en de hoeveelheden hiervan van de zonzijde vergeleken met de donkere zijde. Mede belangwekkend vanuit mijn gehele theorie is dat het magnetisch veld ingedrukt en uitgerekt kan worden. Dit houdt mede in dat er een rechtstreekse wisselwerking aanwezig moet zijn tussen het canvas van straling (zowel deeltjes straling als fotonenstraling als welke straling dan ook) dat inwerkt op het magnetische veld. In de lijnen zoals in de afbeelding heersen volgens de regels van de algemene relativiteitstheorie van Einstein verschillen in de ruimtetijd. Immers volgens mijn verklaringen van het canvas heersen er verschillende diktes in concentratie. Wij kijken dus ook aan tegen een vorm van zwaartekrachtgolven, zo is mijn overtuiging.    

Bij magnetisme spelen elektronen en fotonen de hoofdrol. Slechts in een aantal metalen kan magnetisme duidelijk zichtbaar gemaakt worden, waarvan ijzer de belangrijkste is. Magnetisme kan natuurlijk ook zichtbaar gemaakt worden door het voeren van een elektrische stroom door een koperen leiding bijvoorbeeld. Dan ontstaat er een magnetisch veld rond de draad.

Bij magnetisme van een magneet hebben de elektronen om de kern een eenduidige draaiing per atoom, voor de voorstelling - linksom of rechtsom (niet te verwarren met de “spin” want dat betreft het deeltje zelf). Door deze draaiing om de kern richten de atomen zich om en om in aaneen geschakelde “strengen” van in gelijk geschakelde richting. De elektronen in de buitenste schil draaien dan ook in gelijke richting om de kernen. Zij vormen ketens van opeenvolgende in dezelfde richting draaiende elektronen. Hoe perfecter de rangschikking geordend is des te sterker is de magneet. Breek je een magneet in tweeën in de breedte dan ontstaan er twee magneten met dezelfde eigenschappen.

Als je de twee uiteinden een stukje uit elkaar houdt voel je feitelijk wat er zich in de magneet moest afspelen zoals deze twee delen nog aan elkaar zaten. 

Door deze snoeren gaan zich, in interactie met elektronen, fotonen bewegen van de ene pool van de magneet naar de andere pool.
Aan het eind van de "interne" reis gekomen maken de fotonen in een gebogen baan op verschillende afstand van elkaar een "externe" reis naar de andere kant van de magneet. Dit is een tot zeer sterke  werking die in meerdere gedaanten zijn uitwerking kan hebben, bijvoorbeeld het aardmagnetisch veld. Dit veld is zo sterk dat levensgevaarlijke straling uit de ruimte grotendeels wordt tegengehouden door dit veld en afgevoerd richting de polen zodat wij ertegen beschermd zijn

De fotonen in het vrije deel hangen naar mijn voorstelling niet stil anders is de gehele “cirkel” doorbroken. De fotonen vormen (voor een deel) weer de aanvulling aan de nadere kant.


Beschrijven elektronen de magnetische baan intern en extern?

Ik denk niet dat de elektronen die rol vervullen in het magnetisme zoals ik dat beschreven heb. Een vele malen grotere hoeveelheid elektronen in de atomaire ruimte als aanwezig om het atoom “draaiende” te houden lijkt mij niet logisch. Ook niet dat de elektronen als het ware in een richting opgezweept worden in de magneet om daarna weer in een boog aan de andere kant terug te keren lijkt mij ook onlogisch. Het enige logische lijkt mij dat fotonen geneigd zijn deze weg volgen. Daar zijn er ook genoeg van.


Kan je dat testen?

Als je een hoeveelheid materie hebt en je creëert een ruimte (zowel buiten als binnen de atomen) waar totale afwezigheid van fotonen (en canvas van straling) heerst, behoudt een magneet dan zijn sterkte?

En zo ja, wat ik niet denk, welk deeltje of deeltjes zijn dan verantwoordelijk voor het optreden van de magnetische verschijnselen van de magneet?


Magneet zwaartekrachtspeelgoed?

Is een magneet een zwaartekrachtmachine en omgekeerd een anti-zwaartekracht machine? Kunnen wij dat zeggen?
Ik zal de vraag het binnen het kader van mijn theorieën trachten te beantwoorden. 
In mijn theorie stel ik dat de elektromagnetische kracht en de zwaartekracht een en dezelfde kracht zijn die beiden door fotonen (in de hoofdzaak) worden overgebracht. De magnetische golf van de oscillatie van het foton is hier de werkende kracht die de zwaartekracht teweegbrengt. De relatieve magnitude is laag maar deze is er onmiskenbaar wel.

Uit het vervolg van mijn artikelen zal blijken dat ik van mening ben dat fotonen altijd een spin hebben en ook altijd een massa vertegenwoordigen, ook als zij in een golf voortbewegen. Daarom denk ik ook dat fotonen altijd een magnetisch moment hebben. Bijvoorbeeld in een elektromagnetische golf reizen de fotonen aaneengeschakeld met de plus- aan de minpool van het volgende foton enzovoort voort.

Bij magnetisme komen de fotonen in hun volle belang weer naar voren.

In gevallen van materialen die geen magneet zijn is er natuurlijk wel een soort magnetisme, alleen de elektronenschillen wijken in hun draaiing af van die waar wel magnetisme is. Het speelt alleen op een veel kleinere schaal. Zelfs in een enkel atoom is er sprake van (een complex samenspel van) magnetisme.

Zoals ik in dit stuk opmerk is datgene wat wij zwaartekracht noemen een gevolg van een residuele werking van de sterke kernkracht op fotonen. Hierdoor kunnen verschillende concentraties in aantrekkingskracht optreden waardoor onze werkelijkheid, die waarin wij leven, mogelijk wordt. Ik heb hierover reeds veelvuldig geschreven.

Bij twee gelijkgestemde polen stoten de fotonen elkaar af en bij tegenovergestelde trekken zij elkaar aan en speelt het bovengenoemde effect van rondgang intern en extern op grotere schaal. Bij afstoting kan een van de magneten zweven ten opzichte van de andere. (Zie ook magnetische treinen). Als het ware overruled het laatstgenoemde effect de plaatselijke zwaartekracht.

Andere materialen als de magneet hebben geen overheersende magnetische eigenschappen, echter bij de magnetische trein bijvoorbeeld worden ook alle niet aan magnetisme onderhevige massa zoals de reizigers, kleding en andere materialen gewoon opgetild.

Het lijkt mij volstrekt onwaarschijnlijk dat er in het geval van aantrekken er ineens en ter plaatse veel meer en bij afstoten ineens veel minder donkere materie zich tussen de fotonen en het materiaal is gaan vormen. Het klinkt ook tegenstrijdig en onlogisch. Ook zeer snel vervallende deeltjes kunnen niet de oorzaak van het verschijnsel zijn. Tenzij de fotonen ten gevolge van de magnetische werking dit verschijnsel veroorzaken.

Magneten in de ruimte schijnen dezelfde eigenschappen te hebben als hier op de Aarde. Dit komt omdat elektromagnetische straling, anders dan bij geluid, zich ook in de ruimte kan verplaatsen. Dus ook de bij breken van een magneet krijgen wij dezelfde effecten als op Aarde. Vormt zich dan ook meer of verdwijnt donkere materie dan ineens, nee natuurlijk niet.

Als je bij magneten gelijke polen tegen elkaar houdt volgt afstoting. Dit komt doordat de elektronen van de buitenste elektronenschil dezelfde draaiing hebben en daarmee het gedrag en richting van de fotonen beïnvloeden. Bij aantrekking juist omdat de elektronen de tegenovergestelde draaiing hebben. Het ligt er dus aan van welke richting je het bekijkt.

Bij verhitten van een magneet verliest het de magnetische eigenschappen en wordt gedemagnetiseerd. Toevoeging van straling heeft dus een verstorende werking. Bij sterke mechanische inwerkingen zoals stoten kan er ook een verandering plaatsvinden. De impact van de botsing verstoort dan de ligging intern van de atomen binnen in de magneet waardoor het zijn kracht – deels – verliest.


Zouden fotonen ook stil kunnen staan?

In januari 2019 kreeg ik een merkwaardig en bijzonder inzicht betreffende fotonen.

Ik dacht aan magnetisme van een rond object zoals de Aarde bijvoorbeeld. Dat er een drukte van belang heerst van fotonen daar ben ik wel achter, alleen de banen van het aardmagnetisch veld zetten mij te denken, ook omdat ik laatst dacht aan de ringen van Saturnus en waarom die zich precies in het midden van het magnetisch veld manifesteren.

Saturnus toont in dit kader ook nog een bijzonder verschijnsel. Namelijk zijn ringen, die zich prachtig in het midden van de planeet gevormd hebben. Precies waar de magnetische banen de grootste relatieve boog ten opzichte van de magnetische zuid- en noordpool maken. Door de situatie van de bogen is er een andere concentratie van fotonen dan aan de voor- en achterzijden, die daarvoor niet optimaal gelegen zijn mede door de richting van de inkomende of uitgaande fotonen van de polen. Dit verklaart mijns inziens ook deels waarom deeltjesstraling, uitgezonden door bijvoorbeeld de zon afgebogen worden door het magnetische veld. Immers wij zien het noorderlicht of het zuiderlicht. De inkomende deeltjes worden traploos ingevangen door het magnetische veld en worden in de richting van de polen geleid.

De samenstelling van de krachtlijnen van de fotonen in het midden gelegen van de beide magnetische polen zorgt  voor verschillen in de concentratie van gravitatie. Ook het magnetisch krachtveld van de planeet zelf tezamen met de middelpuntvliedende kracht (want de ringen willen ook weg bewegen van de planeet) oefenen hun krachten uit. Samen zorgen zij er voor dat de ringen hun prachtige vorm hebben kunnen innemen.

    


Afbeelding uit Wikipedia, aardmagnetisch veld.

Dit lijkt tegenstrijdig als je beziet in mijn voorbeeld van de deeltjes van het noorderlicht die naar de polen worden bewogen en het voorbeeld van de ringen van Saturnus die stil in het midden blijven hangen.

Individuele fotonen lijken dus een soort van eigen zuid- en noordpool te bezitten welke haaks gericht staat naar de kern van het (in dit geval ronde) object.

In het geval van gravitatie heb je naar mijn mening te maken met twee verschillende werkingen die naast elkaar van kracht zijn.

1.     Die vanuit het object zelf. De fotonen staan noord-zuid geordend aaneengeschakeld haaks op het object en;
2.     Die vanuit de magnetische werking door- en rondom het object. De fotonen staan noord-zuid geordend aaneengeschakeld en voeren door de magnetische veldlijnen.

Samen maken zij deel uit van het gehele canvas van straling, hebben interactie en beïnvloeden elkaar wel, maar voeren zij hun specifieke werking uit. Gevolg is dat ook hier verschillen in concentraties van het canvas van straling optreden.

Hoe sterker de magnetische eigenschap (en zwaarte) van het object hoe sterker de werking van de fotonen langs de magnetische banen er omheen. (Stel het voor als driedimensionaal gedrag van ijzervijlsel rondom een rond object). Om het object heen vormen zich dus krachtlijnen van fotonen die in het midden groter zijn en toelopen naar de polen toe. (Zie de afbeelding hierboven, weergegeven in een sferisch object).







Magnetische veldlijnen 2 dimensionaal gevisualiseerd met ijzervijlsel. Afbeelding uit Wikipedia magnetisme.


Elders in dit stuk heb ik geconcludeerd dat de fotonengolven in de lengte niet uitrekbaar zijn (met inachtneming van de vacuümfactor, hier kom ik later op terug, ook in het perspectief van de algemene relativiteitstheorie van Einstein). Aan de breedterichtingen zijn zij echter wel in concentratie te beïnvloeden (zwaartekrachtlenzen bijvoorbeeld). (Ook in “los” verband overigens is de aantrekking onderling aanwezig). De fotonen van magnetische velden ondervinden dezelfde effecten om een object heen. Daardoor is het magnetische veld sterker naarmate je dichter bij het object komt. Totdat het object zijn magnetische eigenschappen, door wat voor oorzaak ook, verliest natuurlijk.  

Fotonen klitten niet aan elkaar en zoeken in de ruimte van- en rondom de objecten automatisch de juiste dichtheid in de vorm van een optimum. Hierdoor ontstaat het driedimensionale fotonen-canvas waarvan ook de stralingsbundels (golven) van fotonen (die er kriskras ook doorheen gaan) deel uit maken.

Als magnetische velden optreden – zo is mijn stelling dus – komen er plaatselijk wisselende concentraties van fotonen tot stand die door de magnetische velden worden veroorzaakt. (Dit is een afgeleide van mijn CRSK theorie). Ook in situaties dat er geen (sterk) magnetisch veld is treedt deze concentratie van fotonen op, alleen (veel) minder sterk. De fotonen formeren en groeperen zich naar de vormen van de krachtlijnen die wij waarnemen als de onderhavige magnetische banen van het object.

De fotonen blijven zich geconcentreerd ophopen rondom de atomen en spelen het spel mee als de elektronen van baan verwisselen. Bij hevigere evenementen zoals het aansteken van een lamp bijvoorbeeld komen ten gevolge van de hevige reacties waarbij veel elektronen betrokken zijn gebeurtenissen op gang. Deze gebeurtenissen ontladen zich (mede) in gerichte uitzending van fotonen, hierover later meer.    

Vanuit mijn theorieën vloeit dus de stelling voort dat fotonen een heel bijzondere plaats innemen in vraagstukken rond gravitatie (en volgens mij dus ook donkere materie). En ook of zij een actieve en doorslaggevende rol spelen bij evenementen waarbij magnetische betrokken is. Fotonen en ook die  betrokken zijn bij magnetisme zijn volgens mij de wezenlijke bestanddelen van wat wij “zwaartekracht” noemen. Ik ga er voorlopig in mijn stellingen van uit dat fotonen die zich rondom elektronen ophouden dit doen in een baan om het elektron. Het is bekend dat bij processen op kwantummechanische schaal (bijvoorbeeld sommige waarbij annihilering tussen een elektron en een positron optreedt) een foton wordt losgelaten. Ik ga hier even niet verder op in want dan dwaal ik te veel af van mijn onderwerp.

Hoe sterker de magnetische eigenschap hoe meer fotonen geconcentreerd aanwezig zijn. Het neemt echter niet weg dat bij een object dat geen magnetisme opwekt (bijvoorbeeld bij een statische kern van een hemellichaam) geen concentratie van fotonen optreedt. Dit is weer het geval maar alleen relatief minder. Hoe zwaarder en meer opeengepakt de atomen zijn hoe meer fotonen zich ook in- en rondom het object ophouden. Gevolg: meer effect dat wij zwaartekracht noemen. 

We kennen allemaal het voorbeeld van een sleutelbos dat aan een ijskast wordt opgehangen. De zwaartekracht van onze planeet met zijn enorme massa legt het af tegen de magnetische werking van de magneet. Klopt mijn redenering dan niet? De sleutels kunnen alleen maar blijven hangen door de ordening van de atomen en de gang van de fotonen in de krachtvelden en werking zoals ik hierboven en in mijn theorie heb beschreven. Verifieerbaar? Ja, ik denk het wel. Laat de magneet maar eens langzaam zijn werking verliezen door deze te verhitten of anderszins zijn werking te laten verliezen. Er komt een moment dat de aantrekkingskracht van de Aarde het glansrijk gaat winnen van de magneet. De sleutels vallen naar de Aarde toe en op enig moment de magneet zelf ook. Wat is er dan veranderd aan de magneet? Alleen maar de onderlinge ordening van de atomen, meer niet.

Er zijn legio andere voorbeelden te bedenken. In iets andere omstandigheden: zet de stroom uit van een magnetische trein. Hier wordt de elektronenstroom stopgezet (met gevolgen voor de fotonen in de interacties) waardoor het magnetische veld op slag verdwijnt. Gevolg: de trein zakt terug naar de rails ten gevolge van het opheffen van de (negatieve) zwaartekracht ter plaatse. Verifieerbaar? Dit is al talloze malen aangetoond.

En zo kan ik voorlopig nog wel even doorgaan.
Mijn conclusie kan dus niet anders zijn dan:

Zwaartekracht = elektromagnetische kracht = magnetisme = donkere materie.

In mijn artikel “Mijn zienswijze en termen” geef ik een bondige uitleg van de basisgedachten van waarop ik mijn artikelen baseer.


Copyright Fred Baumgart




zaterdag 14 december 2019

Mijn zienswijze en termen





Mijn zienswijze en termen


Korte inleiding op zienswijze

Ook in het kader van de donkere materie en om de leesbaarheid te vergroten denk ik dat het verstandig is dat ik in de eerste instantie een bondige uiteenzetting geef van mijn visie op het geheel. In mijn blogs en pagina’s ga ik ver in op deelgebieden van mijn visie. Ook in dit hoofdstuk ga ik verder in op de onderwerpen waarom ik bepaalde dingen zo zie.

Ik hanteer op bepaalde punten andere uitgangspunten maar ik laat de wetenschap voor zover als ik kan overzien en wat is onderzocht en aangetoond ongemoeid en integreer ik in mijn meningen voor zover mijn capaciteiten dit toelaten.

Verderop in dit hoofdstuk heb ik een kopje “korte verklaring van door mij gebruikte termen” opgenomen. Hier vindt de lezer een korte beschrijving van door mij gebruikte begrippen.


Hoe ik het zie

Ons universum is het gevolg van een oer-ontlading en niet van een oerknal.

1e Hoofddimensie: bij de ontlading naar een 2e hoofddimensie is het resultaat het uiteenvallen in entiteiten (positief of negatief) bestaande uit een elektrische en magnetische component EN een materiecomponent.
Een positief deeltje met een ander positief deeltje laten annihileren lukt niet. Negatief met negatief evenmin.
Lukt het evenwel om een positief- of een negatief deeltje zozeer in elkaar te drukken dat de 3 componenten integreren dan heb je weer een 1 dimensionale component (E=m). Simpelweg stilzetten gaat niet werken (want daarna treedt de 4 dimensionale werkelijkheid weer in werking), er moet sprake zijn van integreren tot 1 entiteit waarbij de componenten positief dan wel negatief in elkaar opgegaan zijn. Dit kan alleen maar in de paradox van de 1e hoofddimensie, het oerheelal.
 
Om deze E-entiteiten gezien vanuit de 1e hoofddimensie uit elkaar te "trekken" tot de 3 componenten in een 2e hoofddimensie vergt ongekende krachten waarbij universums worden gecreëerd. Deze krachten worden door mij beschreven op diverse plaatsen in mijn theorie waar ik inga op de paradoxale omstandigheden binnen de structuur van de 1e hoofddimensie. Mocht dat al lukken dan wordt automatisch ook de component - positief of negatief - van wat wij de bouwstenen van onze werkelijkheid noemen weer mee gecreëerd.

(Overigens, als het resultaat van annihilatie in onze werkelijkheid elektromagnetische straling is dan kunnen we nog steeds niet spreken van de E. De elektromagnetische straling bevat namelijk nog steeds tastbare materie. Zolang dit dus nog het geval is, is er nog geen sprake van E-unificatie).
Om E-entiteiten weer op grote schaal te laten de-annihileren vergt krachten zo groot dat daarmee universums worden gecreëerd en kan dus alleen in de paradox van de 1e hoofddimensie. E-entiteiten komen niet voor in de 2e hoofddimensie omdat hier altijd sprake is van een plaatselijke werking van de donkere energie, een vacuüm type 3 dat ervoor zorgt dat de E-entiteiten zich uitvouwen naar de 3-componenten van onze werkelijkheid.

Materie is een onontkoombaar product bij het uit elkaar trekken van de energie-entiteit in elektriciteit en magnetisme. Het is de drie-eenheid waaruit onze werkelijkheid is vormgegeven. Deze drie-eenheid kan positief of negatief zijn. In het heelal overheerst een van deze vormen. Daarover heb ik reeds meer geschreven. 

Ik denk dat wij onze visie op materie anders moeten gaan zien. Vanuit onze perceptie in onze werkelijkheid stellen wij ons voor dat materie waaruit elementaire deeltjes bestaan “hard” is. Zoals steen of een metaal bijvoorbeeld. De baryonen, die bestaan uit hun 3 quarks - en die de deeltjes hun massa geven – zijn gevoelig voor de sterke kernkracht. Deze deeltjes zijn dus eigenlijk de veroorzakers van dit gevoel – dit ervaren als - van harde materie voor ons. Wat wij zien als deze materie is dus eigenlijk sterke kernkracht. Misschien moeten wij materie wel gaan zien als de 3e verschijningsvorm binnen het elektromagnetisme (elektrische-, magnetische-  en massa component). Dit zou dus ook betekenen dat als er bij afwezigheid van elektromagnetisme ook geen spin (3e component) is. Er is dus niets. Binnen mijn theorie waarbij ik argumenteer dat er altijd spin is en nooit pure E zou deze benaderingswijze dus zeer wel passen.

In de natuurkunde wordt gesproken over een spin 0, wat zou betekenen dat de deeltjes stilstaan. Mijns inziens moet er dan altijd sprake van samengestelde deeltjes zoals het binden van een quark en een antiquark. De onderscheidenlijke deeltjes hebben – al dan niet “naakt” – spin.

Vanuit mijn theorie volgt ook dat er geen deeltjes zijn met een rustmassa van 0 want dan is er sprake van niets.

E bestaat niet in ons universum. Hierop ga ik later uitgebreid in. Pure energie (uit de formule van Einstein E=mc2) bedoel ik dus. Alles in onze werkelijkheid bevat de component massa, hoe weinig er besloten ligt in het meest elementaire deeltje ook.  

Als wij c stellen op 1 lichtseconde wordt de formule weliswaar E=m (E=m*12). Echter om een deeltje met een rustmassa groter dan nul tot de lichtsnelheid te laten versnellen betekent dat er oneindig veel (c2) impuls nodig is om dit te bereiken, dit kan niet in ons universum.

Om de relatie E=m dus beter te leren begrijpen zullen wij onze horizon verder moeten verbreden tot die van voor de “oerknal”.

Wij kunnen ons de zogenaamde “spaghettificatie” voorstellen als massa bijvoorbeeld een zwart gat wordt ingezogen. Om vorming van een werkelijkheid, zoals bijvoorbeeld de onze waarin wij leven, te kunnen voorstellen denk ik dat wij ons een toestand van ”E” moeten gaan voorstellen. Dus om massa om te vormen naar energie (in de gedaante van “E”)  te kunnen zien moeten wij deze massa eerst versnellen met c2. Plastisch uitgedrukt betekent dit dus meer dan spaghettificatie in het kwadraat.

Volgens mij is er altijd sprake van een massa-component. Natuurlijk kunnen sommige deeltjes, die zich niet uitsluiten, zich ook voortbewegen in golfpatronen. Die golfpatronen worden echter gevormd door deeltjes en hun krachtvelden. In wezen gedragen deze deeltjes zich niet anders dan andere materie. In de kwantummechanische golf gedragen de deeltjes zich als bijvoorbeeld deeltjes in een golf water. Door de samenstelling van de golf kunnen zij bewegen, scrambelen en “tunnelen” door de golf. Anders dan bijvoorbeeld het deeltje of object te beschrijven voortbewegend in golven langs de buitenkant van een golf of een berg bijvoorbeeld want dat is een wezenlijk andere situatie. Overigens, in een gewone golfbeweging op groot niveau, bijvoorbeeld op zee is het voor mij ook aannemelijk dat een bepaald object dat beweegt in de golf ook op enig moment door de golf kan verplaatsen en aan de andere kant van de golf weer naar buiten komt en meebeweegt. Het theoretische tunnelen van kwantumdeeltjes lijkt mij dus niet alleen voorbehouden aan die deeltjes maar kan ook spelen op groter niveau.

Fotonen bezitten zeer weinig massa en bewegen daardoor in ongebonden staat met hoge snelheid richting buitenzijde universum. (Veroorzaakt door de DONKERE ENERGIE, het vacuüm type 3 zoals ik omschrijf).

Doordat de fotonen zeer weinig massa hebben in de golfbewegingen hebben zij geen binding met overige deeltjes die op hun beurt weer om die fotonen heen bewegen, die fotonen zijn dus “naakt”. Dit ligt anders bijvoorbeeld bij fotonen die zich in- en rondom de atomen voortbewegen. Daar maken zij veelal deel uit van het complex van deeltjes waardoor deze deeltjes niet meer “naakt” zijn maar omgeven door allerlei andere deeltjes – ook fotonen – die krachten uitoefenen. Om de precieze sterkte en uitwerkingen van deze deeltjes te duiden moeten zij gerenormaliseerd worden. Zo ook de fotonen in die gebieden.

De fotonen gedragen zich daar anders als in de golf. Ongerenormaliseerd gaan zij verbindingen en acties aan met andere deeltjes en kunnen zij zich anders gedragen als in de golf. Zij kunnen vanwege hun spin (1) in diverse richtingen draaien of tot een andere natuurlijke draaiing geforceerd worden door de aanwezigheid van de andersoortige deeltjes daaromheen en hun krachtvormen.

Anders is het in de golf, hier is geen interactie verder (buiten materie etc. en andere deeltjes die zij op hun weg tegenkomen en interactie mee aangaan natuurlijk). In de golf zijn de fotonen “naakt” en volgen slechts een spinrichting. Daardoor kunnen zij zich richten en aantrekking onderling magnetisch over grote afstand doorgeven. De deeltjes onderling hebben een gelijke elektrische lading en stoten elkaar af, doch dat speelt zich af op de korte afstand onderling.

Is te verifiëren dat zij een eenduidige spin hebben in de golf? Ik denk het wel, als er een negatieve elektromagnetische fotonenstraling in een spectrum valt te creëren dan is mijn stelling onmogelijk. Van negatieve elektromagnetische “naakte” fotonenstraling in een golf heb ik echter nog nooit gehoord. Als fotonen zich in een golf met een niet eenduidige spin zouden kunnen voordoen dan  zouden er ook klonteringen van fotonen aan elkaar moeten kunnen voordoen, of annihileren maar dat zien wij ook niet (en zeker niet op grote schaal) gebeuren. Dat zien wij ook niet gebeuren met fotonen rondom elektronen en ook niet fotonen die zich in bepaalde combinaties gebonden hebben in de kernen. Daar is mij nog niets van gebleken.

De fotonen rondom het atoom en de kernen hebben dus een andere gedraging door de deeltjes waarmee zij interacteren. Echter er is wel een aantrekkingskracht in en rondom de atomen – ook door aanwezige andere deeltjes - die zorgt dat de fotonen toch traploos geconcentreerd naar buiten toe elkaar iets aantrekken en dus hun kracht doorgeven. Een in een bepaalde situatie andersom draaiende foton is een anti-foton en heeft een tegenovergestelde lading en uitwerking. Ik denk zelfs dat het zeer wel mogelijk is dat fotonen in elektromagnetische straling in de ruimte als er al tegenovergesteld draaiende bij zijn door hun “naaktheid” als gevolg van de verder reikende magnetische (verder reikend dan het individuele elektrische moment) momenten gaan richten als een soort kompasnaalden. Of annihileren met reguliere fotonen.

Dat elektromagnetische straling in golven schijnt voort te planten komt naar mijn vermoeden ook dat de uitzendende bron de fotonen in “porties” loslaat. Dus niet in een constante stroom. De bron heeft de neiging om de deeltjes zo lang mogelijk vast te houden. Rekening houdend hiermee is het misschien een suggestie om beter te kunnen vaststellen waar en met welke snelheid en richting een deeltje zich in een golf bevindt.

Zwaartekrachtslenzen zien wij gebeuren, elektromagnetische straling (dus ook de deeltjes – de fotonen die de straling door hun spin (en zeer geringe massa) en lading opwekt) wordt afgebogen.

De aantrekkingskracht van onze Maan is ook onomstreden. Optreden eb en vloed is een vaststaand gegeven. Meer of minder getijdenwerking hangt zuiver af van de hoeveelheid licht die wij van de Zon ontvangen hier op Aarde en dus ook van de hoek waarin dit weerkaatst wordt. De getijden zijn dus geen gevolg van donkere materie maar van licht.

Fotonen trekken elkaar via de elektromagnetische straling aan. Dat zien wij dus gebeuren. Wij kunnen dit gegeven niet negeren. Door hun massa en spin ontstaat er een elektrisch moment en een magnetisch dipoolmoment.

De fotonen hebben - door hun enorme draaisnelheid een relatief gezien hele sterke elektromagnetische werking - en leveren dus altijd en overal hun (niet geringe) bijdrage aan de elektromagnetische straling in ons universum.  

Deze aantrekking (denk ook aan het begrip zwaartekracht) is op kwantum- en kosmisch niveau aanwezig. Hierbij draagt de magnetische veldwerking verder dan elektrische veldwerking. Het magnetische veld trekt aan op grote(re) afstand.
Het elektrische veld op korte afstand stoot af omdat fotonen een zelfde oneven elektrische lading hebben (spin 1 – oneven, dus elektrisch afstotend-). Magnetisch kunnen zij zich rangschikken.
Ook motiveer ik verder in mijn stukken waarom ik denk dat alle massa van een foton niet enkel toe te schrijven is aan bewegingsenergie maar ook aan een component van echte massa. En die component is onontbeerlijk, ook en met name, waardoor het krachtenspel op kosmisch niveau mogelijk wordt.

Door hun bijzondere eigenschap kunnen fotonen door hun magnetische component aangetrokken worden tot andere deeltjes zoals elektronen bijvoorbeeld. Elektrisch gelijke ladingen op korte afstand stoten elkaar weliswaar af, maar eerst brengt het magnetisme ze tot elkaar.

Fotonen rondom een elektron worden aangetrokken. Rond het elektron stoten fotonen elkaar –  elektrisch -  af zodat zij op afstand van het elektron blijven. Het elektron is een lepton (dus eerste generatie – elementair -  materie). 

Fotonen worden ook aangetrokken – of maken deel uit van - door baryonische massa. (Baryonen groepsnaam voor deeltjes die gevoelig zijn voor de sterke kernkracht (hadronen). Hadronen: (halftallige spin en opgebouwd uit drie quarks).

In- of bij de bouwstenen van de baryonen moeten ook fotonen voorkomen. Zie bijvoorbeeld bij een kernbom waarbij fusie of -splitsing van de kernen plaatsvindt. Duidelijker kan bijna niet. (Vanuit mijn visie dat pure energie (niet te verwarren met krachtvelden) niet voor kan komen in ons universum dan. Alles bevat een materie-component). Bijvoorbeeld een neutron valt uiteen in een proton, elektron en neutrino. De aanwezige elektronen lijken mij op het moment van kernreactie niet “naakt” maar omgeven door fotonen die in massa uitwijken uit het gebied waar de reactie plaatsvindt.

Binnen in kern spelen zelfde effecten met fotonen als rondom het elektron. Zij binden niet maar houden elkaar onderling op afstand en sluiten dus een onevenredig aantal uit. Net als elektronen elkaar op afstand van de kern houden.

CRSK (Cumulatieve residuele sterke kernkracht)  

Residueel is er aan de rand van de kern (aan het eind Yukawa potentiaal) dus ook nog een soort restkracht aanwezig die ook nog niet gebonden fotonen aantrekt.  Om de kern is echter geen verdere plaats voor binding en de fotonen houden dus restafstand van elkaar in wolkvorm in combinatie en interactie met de fotonen om de kern.

Ik wil dus zeggen dat er de sterke kernkracht wel over zeer korte afstand reikt (1/r-7) maar dat er een effect is – veroorzaakt door fotonen dat zich universeel uitstrekt en dus door zijn verschijnsel onze werkelijkheid waarin wij leven mogelijk maakt.

Rond kernen en elektronen zijn dus fotonenopeenhopingen. Traploos trekken deze in alle richtingen aan elkaar tot in de verste uithoeken van het universum. Deze “ophopingen” vormen dus mede met de fotonen om de elektronen in het atoom de ankers van de zwaartekracht waaraan het hele spel van aantrekking  in ons universum tot in de verste uithoeken op is gebaseerd. Donkere materie, zwaartekracht en magnetisme zijn hierin vertegenwoordigd en vinden hier (deels) hun oorsprong en werking.  

Baryonen genereren sterke kernkracht maar basis is de zwakke kracht onderling. Doch door quarks verwordt dit tot sterke kracht met korte reikwijdte. De (ook de elementaire) deeltjes van de kernen met hun spin en massa veroorzaken de mix van de zwakke krachten in de kern die door de baryonische samenstelling een zeer sterke binding hebben (in de hoedanigheid van de sterke kernkracht).

In alle aangenomen krachten zijn bosonen types de dragers van die kracht de bindende elementen. W, X en Z boson voor de zwakke kracht, gluonen voor de sterke kracht; fotonen de elektromagnetische kracht en hypothetische gravitonen voor de zwaartekracht. De laatsten overbodig volgens mij.

Ook denk ik dat alles terug te voeren is naar spin en massa zoals boven omschreven. Ook alle andere deeltjes zullen hun rol spelen en delen allen mee in het spel van spin en massa, bovendien vervallen de meesten hiervan zeer snel.

Er is consensus betreffende de elektromagnetische kracht en zwakke kracht als zijnde een optredende fundamentele natuurkracht. (De elektrozwakke wisselwerking).

De zwakke kracht is in mijn ogen niets anders dan een afvalproduct van het elektromagnetisme. Daar waar door veranderingen in bijvoorbeeld spin of andere processen een andere aantrekking ontstaat zullen de deeltjes onderling “loslaten”. Dit verandert echter niets aan de aanwezigheid van de elektromagnetische kracht. Wel in werking en intensiteit natuurlijk.

Daar waar voor de zwakke kracht 3 veldvergelijkingen volstaan zijn om de sterke kracht te omschrijven al minstens 8 veldvergelijkingen nodig. Naar mijn inzicht blijft het ook hier een kwestie van een mix van aantrekking van velden gegenereerd door de deeltjes die gevoelig zijn voor de sterke kracht en niet verder of meer dan dat. Daardoor kan ook de reikwijdte van deze kracht zeer klein blijven. Dat deze kracht zo sterk is en deeltjes met zoveel overmacht aan elkaar bindt moet aan de samenstelling van de – niet naakte - quarks liggen. Deze mix veroorzaakt een zodanige aantrekking dat de sterke kracht op kan treden. Het blijft echter allemaal terug te voeren op een fundamentele kracht: de elektromagnetische kracht. De kracht opgewekt door deeltjes (ook elektronenvelden etc.).

Daar waar de elektromagnetische kracht en de zwakke kracht dus samen smelten tot de elektrozwakke wisselwerking versmelt de sterke kracht dus ook met de elektromagnetische kracht: de elektrosterke kracht.

Rondom – als residueel effect – is er echter altijd nog een zekere hoeveelheid “naakte” fotonen aanwezig die wel aangetrokken worden maar niet kunnen binden omdat de bindingscapaciteit al verzadigd is. Deze fotonen houden zich door hun elektrische lading – die gelijk is en dus afstotend – op afstand van de kern. (Rond elektronen speelt dit effect ook). Magnetisch trekken zij elkaar dus wel aan.

Fotonen hebben in tegenstelling tot vele andere zeer kleine deeltjes - die binnen fracties van seconden vervallen of verbindingen aangaan -  een oneindige levensduur en oefenen dus zowel over oneindige afstanden maar ook over oneindige tijden hun werking uit. Dat objecten, planeten, zonnestelsels etc. onderling elektrisch neutraal zijn staat het effect van aantrekken over grote afstand niet in de weg.

Aantrekkingskracht op kwantum niveau, overgaand naar kosmische schaal wordt veroorzaakt door de magnetische veldwerking van fotonen. Die veroorzaakt aantrekking en is gelijk aan wat wij de zwaartekracht noemen. Bij elkaar vertolken de fotonen, die individueel een – nagenoeg – verwaarloosbare gravitatiewerking hebben een fenomenale factor in het functioneren van onze werkelijkheid. (Andere deeltjes veroorzaken natuurlijk ook aantrekking etc. maar fotonen spelen de hoofdrol in de zwaartekracht en wat wij donkere materie noemen) 

Ik denk dus dat er – in ons universum - slechts een fundamentele natuurkracht bestaat. Dat is de elektromagnetische kracht. (Tevens is deze kracht verantwoordelijk voor de DONKERE MATERIE die wij nog zoeken).

Buiten ons universum, in de door mij veel beschreven “paradox” is er sprake van een andere fundamentele situatie. Daar is de elektromagnetische kracht nog niet tot de 4-dimensionale structuur “uitgevouwen” die wij hiervan waarnemen in onze werkelijkheid.

Grofweg is het bovenstaande mijn visie op het geheel. Verder is het stuk en ook de eerdere en verdere hoofdstukken ga ik nader in op mijn zienswijzen.



Korte verklaring van door mij gebruikte termen


De “Paradox”

Hiermee bedoel ik de 1e hoofddimensie


(Nogmaals kort) over de eerste hoofddimensie

In mijn stukken maak ik een verschil tussen het oerheelal en het universum waarin wij wonen. Voor het gemak noem ik dit een één-dimensionale toestand. Ik verwijs naar alles wat ik hierover al geschreven heb. Dit oerheelal, luistert naar de wet E=mc2, waarin E de heersende toestand is. Onze dimensie is een uiting van de eerste hoofddimensie met als resultaat een tweede hoofddimensie, die  de subdimensies lengte, breedte, hoogte en afstand en tijd in zich heeft. De ontladingen binnen de eerste hoofddimensie geven verstoringen die onze vier subdimensies  veroorzaken. De eerste hoofddimensie is energie, de tweede hoofddimensie is de resultante hieruit: materie en elektromagnetische kracht. Een hierboven genoemde ontlading kan de grootte hebben in doorsnee van honderdduizenden lichtjaren. Veel groter en veel kleinere varianten kan ook. Maar zeker niet die van de grootte van een oerknal.

De eerste hoofdimensie bezit oneindige energie. De subdimensies van de eerste hoofddimensie zijn te onderscheiden in: geen tijd en geen afstand terwijl er ook oneindige tijd en oneindige afstand in besloten ligt. Dit alles in een vorm van een soortement van oneindige maar toch 1 dimensionale toestand, een oneindige punt. Het verschil in “spanning” tussen geen en oneindig, dat natuurlijk oneindig is, veroorzaakt de ontladingen. In deze dimensie zijn materie, elektriciteit en magnetisme nog niet gevormd.

Paradoxaal,  denk je eens in! Deze dimensie heeft de eigenschappen geen tijd versus oneindige tijd en geen afstand versus oneindige afstand. Allemaal verenigd in één dimensie! Deze dualiteiten die allemaal tegelijkertijd op elkaar inwerken moeten wel tot ontlading komen, de spanning is immers oneindig. Want welke wint? Die van de eindigheid of oneindigheid?
Het kan niet anders dan dat de ontladingen voorkomen in oneindige aantallen. Elke keer met een nieuw universum tot gevolg. Deze hoofddimensie is de ultieme verschijningsvorm van de “E” in de formule van de speciale relativiteitstheorie van Einstein (E=mc2). 


Vacuüms

Eerder in mijn theorie heb ik een beschrijving gegeven hoe ik de vacuüm-toestanden in ons universum definieer. Ik hanteer 3 begrippen van vacuüm:
·         Vacuüm type 1 zoals wij dit op Aarde of op een ander object kunnen creëren;
·         Vacuüm type 2 zoals deze heerst in de ruimte;
·         Vacuüm type 3 de donkere energie
Type 1 en 2 zitten in uitwerking heel dicht bij elkaar, alleen in de plaats waar het zich voordoet heb ik een onderscheid in gemaakt. Type 3 heerst over alle andere typen vacuüms.



Mijn definitie van "heelal" en "universum"

Met het heelal bedoel ik alles, dus de 1e hoofddimensie en inbegrepen alle  2e hoofddimensies. Met een universum (2e hoofddimensie) bedoel ik onze 4-dimensionale werkelijkheid en alle andere 4-dimensionale ontladingen in het heelal. (Zie mijn eerdere uitgebreidere beschrijvingen). Als ik spreek over het “oerheelal” dan bedoel ik ook de1e hoofddimensie.  


Anti-singulariteit

Het gebied (de donkere energie) waarin de sterrenstelsels steeds sneller naar de 1e hoofddimensie worden toegetrokken. (Zie mijn eerdere publicaties). Zie ons universum als de dooier en de donkere energie als het eiwit waar de dooier met geweld ingetrokken wordt. Daarbuiten ligt het oerheelal, de eerste hoofddimensie. Het 1-dimensionale oerheelal is veruit superieur in zijn eigen krachtwerking als een universum. Dit maakt dat een oerheelal niet een universum binnendringt maar juist dat een universum (zoals onze werkelijkheid, met achtergrondstraling en al) met grote kracht richting 1e hoofddimensie wordt gezogen. 


CRSK (Cumulatieve residuele sterke kernkracht)  

Cumulatieve Residuele Sterke Kernkracht. Hiermee bedoel ik mede het aan de grens van de kernen gelegen gebiedje waar de sterke kernkracht nog niet geheel zijn werking verloren heeft zodat er een deel overblijft dat zich verder uitstrekt dan de kern. Dit moet de fotonen net voldoende anker geven (denk ook aan de elektronenwerking om de kern) om de aantrekkingskracht tussen de fotonen iets te concentreren (veel is niet nodig) waarna zij hun aantrekkingskracht verder aan elkaar kunnen doorgeven en dus de zwaartekracht geboren is. Tevens de aantrekkingskracht tussen de objecten. Of zij elektrisch neutraal zijn heeft hierin geen betekenis. De massa daar gaat het om. Het effect dat ik benoem is sterk zat om de hemellichamen in hun baan te houden bijvoorbeeld. (Zie ook eerdere publicaties).  

Residueel is er aan de rand van de kern (aan het eind Yukawa potentiaal) dus ook nog een soort restkracht aanwezig die ook nog niet gebonden fotonen aantrekt. Om de kern is echter geen verdere plaats voor binding en de fotonen houden dus restafstand van elkaar in wolkvorm in combinatie en interactie met de fotonen om de kern.

Ik wil dus zeggen dat de sterke kernkracht wel over zeer korte afstand reikt (1/r7) maar dat er een effect is – veroorzaakt door fotonen dat zich universeel uitstrekt en dus door zijn verschijnsel onze werkelijkheid waarin wij leven mogelijk maakt.

Rond kernen en elektronen zijn dus fotonenopeenhopingen. Traploos (1/r2) trekken deze in alle richtingen aan elkaar tot in de verste uithoeken van het universum. Deze “ophopingen” vormen dus mede met de fotonen om de elektronen in het atoom de “ankers” van de zwaartekracht waaraan het hele spel van aantrekking  in ons universum tot in de verste uithoeken op is gebaseerd. Donkere materie, zwaartekracht en magnetisme zijn hierin vertegenwoordigd en vinden hier (deels) hun oorsprong en werking.  


Canvas van straling

Het canvas van straling moet je zien als een soort van 4-dimensionaal elastiek, in dichtheid wisselend membraan dat in alle richtingen aan elkaar trekt. Het maakt ook niet uit of objecten die dus onderling aan elkaar trekken qua lading elektrisch netto neutraal zijn. Het is het canvas van straling dat zowel op kwantummechanische- als kosmische schaal als een gecombineerde kracht werkzaam is. De “ankers” van dit canvas berusten in- en rond de atoomkernen. Fotonen, in tegenstelling tot vele andere deeltjes die zeer snel vervallen,  met een oneindige levensduur vormen de hoofdrol van het canvas.  


Copyright Fred Baumgart